Oct 10, 2026 · @Jules Herman Samuel Schotsborg

Onlangs las ik een column van Sjaak Bral in het Algemeen Dagblad: We denken allemaal dat we anders zijn – en daarom zijn we allemaal hetzelfde. Ik liep al een tijd met dit onderwerp rond en wist niet hoe ik het vorm moest geven. Want in de slachtofferrol kan ik me slecht vinden. Ik ben zelf veel te lang slachtoffer geweest, vooral van mijn eigen ingebouwde stemmen. Toen ik die kop las, dacht ik: hier laat ik mijn anker vallen. Dit is mijn begin.
Ik ben zwart. Ik ben homoseksueel. Ik ben neurodivergent. Ik ben geboren in Paramaribo en kwam in 1966, acht jaar oud, naar Rotterdam.
Ik weet hoe discriminatie voelt.
Dat schrijf ik niet om mezelf gezag te geven over iedereen die gediscrimineerd wordt. Ik schrijf het omdat ik lang genoeg heb geleefd om te weten dat discriminatie zich niet netjes aan één kant van de tafel bevindt.
Ik heb haar ondergaan. En ik heb haar zelf bedreven.
Misschien is dat laatste het moeilijkste om hardop te zeggen. Daarom heeft het ook zo lang geduurd voordat ik hierover kon schrijven.
Ik ben Creool. Ik draag de slaaf. Ik draag de meester. Maar geen van beiden bezit mij. Dat betekent ook: ik kan niet doen alsof de meester alleen buiten mij woont.
‘Er is geen hij of zij, of jij of ik. Er zijn alleen verschillende vormen van wij,’ schrijft Bral. En juist daar begint het moeilijke gesprek.
Racisme bestaat. Punt.
Laat ik dat eerst zeggen, omdat anders alles wat hierna komt verkeerd gelezen kan worden.
Racisme is geen verzinsel van overgevoelige mensen. Het zit in onze geschiedenis, in instituties, in kansen, in de beelden die we van elkaar hebben. Het is niet alleen een scheldwoord of een gesloten deur. Het is ook een grammatica: een manier van indelen en veronderstellen die werkt in zinnen als ‘waar kom je écht vandaan’. En het werkt in stiltes: in de grap die niemand corrigeert.
In 2023 zei 11 procent van de Nederlanders van vijftien jaar en ouder dat zij zich het afgelopen jaar gediscrimineerd hadden gevoeld. Ras of huidskleur was de meest genoemde grond, en de Nederlands-Surinaamse tweede generatie maakte dat het vaakst mee. In februari 2023 oordeelde het gerechtshof in Den Haag dat de Koninklijke Marechaussee mensen bij grenscontroles mede selecteerde op huidskleur. Het hof noemde dat rassendiscriminatie en verbood het. Bij de toeslagenaffaire gebruikte de Belastingdienst een tweede nationaliteit als risicosignaal.
Dat zijn geen gevoelens. Dat zijn formulieren, profielen, algoritmes. Een vooroordeel wordt een systeem op het moment dat het een loket krijgt.
Gloria Wekker, Surinaams-Nederlands zoals ik, noemde het witte onschuld: een Nederlands zelfbeeld van tolerantie dat zo dierbaar is dat het zelfonderzoek in de weg staat. Toen nazaten van tot slaaf gemaakten zeiden dat Zwarte Piet hun pijn deed, was de eerste reactie niet luisteren maar verdedigen. ‘Wij zijn geen racisten. Dit is traditie.’ Philomena Essed liet al in de jaren tachtig zien dat racisme hier zelden met geschreeuw komt, maar met een ober die iedereen aan tafel ziet behalve jou.
Ik heb die cijfers niet nodig om te weten dat racisme bestaat. Ik heb de blikken gezien. De grapjes gehoord. De aannames gevoeld voordat er één woord was gesproken.
‘Wat spreek jij goed Nederlands, zeg. Waar heb je dat geleerd?’ Mind you, dat was echt als compliment bedoeld. Ik heb nooit een andere taal gesproken dan Nederlands. Ik ben geboren met hetzelfde paspoort. Think about it.
Of het kappersvak, toen ik solliciteerde. Mijn naam is heel Nederlands, mijn stem een tikje bekakt. Aan de telefoon klonk ik als precies wat ze zochten. Dus als ik binnenkwam, schrokken ze zich een hoedje en wisten ze zich geen houding te geven. En dan keek ik ze ook nog recht in de ogen. Na het gesprek kreeg ik altijd te horen: we bellen je terug. Ik leerde zeggen: nee, ik bel zelf wel.
Eén van mijn beste werkgevers heb ik zo gekregen. Na een superleuk, onderhoudend gesprek hoorde ik niets. Ik belde, en bleef aandringen: waarom kreeg ik de baan niet? Hij gaf het eerlijk toe. Hij was bang dat zijn klanten moeite met mij zouden hebben. Op dat moment hoorde ik op de achtergrond zijn vrouw roepen: ‘Hou op met die onzin, geef die jongen een kans.’
Toen ik drie jaar later vertrok voor mijn eerste wereldreis, moest ik een taxi nemen om alle cadeaus mee naar huis te krijgen. We zijn jaren bevriend gebleven.
Maar juist omdat ik weet dat racisme bestaat, wil ik voorzichtig zijn met het woord. Een woord dat alles verklaart, verklaart uiteindelijk niets meer. Die werkgever was bang. Hij was geen vijand. Het verschil tussen die twee heeft mijn leven gevormd.
Vooroordeel is een reflex
We praten over racisme alsof het iets is wat de ander heeft. Een vlek op andermans jas. Iets wat je kunt aanwijzen, zodat je zelf schoon blijft.
Maar vooroordeel is geen vlek. In 1954 beschreef de psycholoog Gordon Allport het al: elk mensenbrein vereenvoudigt, deelt in, overdrijft het verschil tussen groepen en vergeeft de eigen groep sneller dan de andere. Dat doet een witte man in Spijkenisse. Dat doet een Hindostaanse tante in Paramaribo. Dat doe ik.
Iedereen draagt vooroordelen. Maar niet iedereen heeft een instituut achter zich staan. Dus ja: we dragen het allemaal. En nee: dat maakt de rekening niet gelijk.
Niet iedere wond heet racisme
Soms zie ik mensen iedere afwijzing, iedere verkeerde toon, iedere botsing door één lens bekijken. Racisme.
En soms is het racisme. Maar soms ook niet. Soms is iemand lomp. Soms begrijpt iemand je niet. Soms spelen klasse, leeftijd, seksualiteit, taal, religie of status een rol. Soms botsen twee persoonlijkheden.
En soms, en dat vond ik het moeilijkst om te leren, neem je jezelf mee de kamer in. Je geschiedenis. Je onzekerheid. Je verwachtingen. De manier waarop je prikkels verwerkt.
Ik heb lang gedacht dat de wereld zo hard bij mij binnenkwam omdat de wereld zo hard was. Dat was gedeeltelijk waar. Maar ik ontdekte ook dat ik hard binnenkwam bij de wereld. Mijn ADHD, mijn gevoeligheid, mijn intensiteit: ze lieten me signalen zien die anderen werkelijk misten. Maar ze konden er ook voor zorgen dat ik betekenis gaf aan iets waarvan ik nog niet wist wat het betekende. You have no idea.
Dat inzicht maakte het racisme dat ik werkelijk tegenkwam niet minder werkelijk. Het maakte mij nauwkeuriger. En nauwkeurigheid vind ik tegenwoordig belangrijker dan gelijk krijgen.
Mijn brein is geen weerlegging van mijn zwarte huid. Mijn zwarte huid is geen verklaring voor alles wat mij overkomt.
Ik heb mezelf leren vragen, vóór ik een ander beschuldig: wat is hier van mij? Niet om het onrecht weg te praten. Om te weten waar ik sta als ik het benoem. Een beschuldiging die uit zelfkennis komt, is scherper dan een die alleen uit pijn komt. Ze is ook moeilijker af te doen.
Wie zichzelf niet kent, maakt de ander groter dan hij is. Of kleiner. Groter: de almachtige onderdrukker die alles kan. Kleiner: het slachtoffer dat niets kan en daarom altijd gelijk heeft. Beide beelden ontmenselijken. Trust me, ik weet hoe dat voelt. Onzekerheid is a bitch.
Ook wij hebben spiegels nodig
Er is iets wat ik als zwarte man wil kunnen zeggen zonder meteen verdacht te worden van verraad aan mijn eigen groep.
Wij kunnen zelf discrimineren. En hoe.
Ik ben jarenlang kapper geweest. Onder mijn handen zaten hoofden van elke kleur, en mensen in een kapperstoel vergeten dat je luistert.
‘Lieverd, toen ik de eerste keer binnenkwam, dacht ik dat je hier werkte. De zaak zag er zo wit uit.’ Lees: zo mooi. ‘Ik schrok toen ik hoorde dat hij van jou was.’ En: ‘Ik kon niet geloven dat een zwarte man dat kon.’ The sweetest lady, mind you. In my face, alsof het niets was. Hahaha. Are you fucking for real?
Ik hoorde Creolen over Hindostanen, Hindostanen over Creolen, bijna iedereen over Javanen en Marrons. Iedereen over die witte mensen. En je wilt niet weten hoe er over Turken en Marokkanen werd gesproken.
En dan het haar. Goed haar, slecht haar. Krullen, glad. Ik hoorde moeders zo over het slechte haar van hun eigen kinderen praten. Heel vaak zei ik dan, expres met een dikke Surinaamse tongval: ‘Hou op hoor. Je frustreert dat kind voor de rest van der leven, baja.’ Maar ik zag het ook bij collega’s. Kappers die iemand met zogenaamd ‘moeilijk haar’ (met andere woorden: ik kan hier niet zoveel mee) meer lieten betalen, terwijl ze gewoon incompetent waren en daarom zo lang met dat haar bezig waren. Twee zussen kwamen voor dezelfde behandeling. De één had wat gladder haar dan de ander. De zus met het kroezere haar betaalde meer. Toen ik mijn collega, een Chinese vrouw, erop aansprak, was het antwoord: ‘Dan had ze maar ergens anders heen moeten gaan.’ I wanted to give her wan faya klap. Ga je kunnen!
Onze families kunnen genadeloos zijn tegenover homoseksualiteit. Als homo heb ik dat vaak moeten ondergaan. En wat ik het meest stuitend vond: in mijn eigen groep werd ik niet geaccepteerd, in de witte groep wel. Tenminste, zo leek het. Aan de buitenkant was de witte wereld toleranter. In de zwarte wereld lag de afkeer van homo’s meer aan de oppervlakte. Maar binnen de witte homowereld speelde dezelfde uitsluiting, alleen in een andere vorm. Daar werd ik exotisch.
Wie wordt buitengesloten, voelt hetzelfde. En toch doen we het elkaar gewoon weer aan. Ik herkende het in Suriname, in Maleisië, in Nederland, en daarna over de hele wereld. As humans we are amazing and flawed at the same time.
Onze gemeenschappen kunnen kleur rangschikken, klasse bewaken, en wie afwijkt ‘niet zwart genoeg’ noemen. Mij noemden ze een witte neger. Een Uncle Tom. En het pijnlijke is: ze hadden lang gelijk. Ik had de witte blik zo goed overgenomen dat ik er zelf mee keek, ook naar mijn eigen mensen. Ik heb heel veel literatuur over onze menselijke geschiedenis nodig gehad om dat juk van me af te werpen.
Het rangschikken van kleur en de homofobie hebben we niet allemaal van de Nederlander geleerd. Of eerlijker: we hebben het van hem geleerd, en daarna hebben we het van onszelf gemaakt. De koloniale geschiedenis maakt dat pijnlijk duidelijk. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft het allemaal keurig gedocumenteerd. We kunnen het tot op de dag van vandaag nalezen.
Het gekoloniseerde bewustzijn leert zichzelf te reguleren binnen de grenzen die het systeem toestaat. Niet uit domheid. Uit zelfbehoud.
In Kuala Lumpur zag ik hetzelfde mechanisme in een ander jasje, en ik zag mezelf erin. Maleisië was zelf gekoloniseerd en bouwde na de onafhankelijkheid een eigen rangorde, met wettelijke voorrang voor de Maleisische meerderheid. Indiase vrienden vroegen me steevast, als ze me net leerden kennen, of ik me daar niet gediscrimineerd voelde. Dat deed ik niet. Ik voelde me als God in Frankrijk. Terwijl zij, Indiase Maleisiërs, door hun donkere huid als minder werden gezien.
Dat ik het niet voelde, had hele andere redenen. Ik was zwart, maar westers. Ik viel op door de manier waarop ik me tot iedereen verhield. In hoe ik me kleedde. Een pauw en they loved it. Mensen waren onder de indruk, omdat ik niet paste in het beeld dat ze van een zwarte man hadden. Daar had ik het privilege dat ik in Nederland de witte Nederlander toeschrijf: een afwezigheid van wrijving. Mijn Indiase vrienden voelden de wrijving. Ik niet.
En nu het deel dat ik haat. In het begin keek ik op iedereen neer. De stad leek westers. Ze had alles wat ik kende, en meer. Maar westers was ze helemaal niet. Maleis, Chinees en Indiaas door elkaar, net als het Paramaribo van Creolen, Hindostanen, Javanen en Chinezen. Ik herkende thuis. Ik herkende Suriname, een multiraciale samenleving. En ik keek neer op iets wat op mijn eigen oorsprong leek. Ook met mijn zwarte huid was ik daar een westerling, met een aangeleerde westerse blik. Het zou nog jaren duren voordat ik kon toegeven dat ook ik enorme vooroordelen had.
Lijden geeft geen diploma in menselijkheid. Dat geldt voor niemand. Wie op maandag slachtoffer is, kan op dinsdag iemand buitensluiten. Wie vanwege zijn huidskleur vernederd is, kan een ander vernederen vanwege diens seksualiteit. Wie als migrant voor een gesloten deur stond, kan jaren later zelf de deur dichtdoen voor een nieuwkomer.
Daarvoor hoef je geen slecht mens te zijn. Je hoeft alleen mens te zijn.
Dat is confronterender. Als het kwaad alleen bij slechte mensen zat, hoefden de goeden alleen maar te wijzen. Ik heb mijn eigen innerlijke meester moeten leren herkennen. Niet alleen degene die ooit zei dat ik minder was. Ook degene in mij die besloot wie een ander was, voordat die ander zichzelf kon laten zien.
Wit privilege is geen bankrekening
Ook het gesprek over wit privilege loopt voor mij vaak vast. Niet omdat het niet bestaat. Wel omdat we het verkeerd begrijpen.
Privilege is geen bedrag dat bij je geboorte op je rekening wordt gestort. Het is een afwezigheid van wrijving. Het betekent dat één bepaalde hindernis niet vanwege díé eigenschap voor je wordt neergezet. Er kunnen nog honderd andere hindernissen staan.
Een man kan wit zijn en arm. Wit en laaggeletterd. Wit en ziek. Wit en eenzaam. Wit en volledig vermalen door instanties waarvan hij niet begrijpt hoe hij zich moet verdedigen. Een witte man in Rotterdam-Zuid met schulden, een kapot lijf en geen perspectief: wat koopt hij voor zijn privilege?
Onderzoek laat zien dat arme witte arbeiders kleine maar echte voordelen hebben door hun kleur, ook als hun klasse ze vermorzelt. Allebei waar. Hij wordt niet uit de rij gehaald op Schiphol. En daar betaalt hij zijn huur niet mee.
De Amerikaanse denker W.E.B. Du Bois zag al in 1935 hoe dat werkt. Arme witte arbeiders kregen een ‘psychologisch loon’: het gevoel dat er tenminste nog iemand onder hen stond. Dat loon kostte de elite niets. En het zorgde ervoor dat arme witte en arme zwarte mensen elkaar wantrouwden in plaats van samen naar boven te kijken.
Als ik tegen iemand die verdrinkt in armoede alleen zeg dat hij zijn privilege moet erkennen, kan ik theoretisch gelijk hebben en menselijk volledig de plank misslaan. Dan zie ik de categorie en niet meer de mens. En precies dat verwijt maken we racisme.
En als wij hem alleen zijn privilege voorhouden en zijn armoede niet zien, verliezen we hem. Dan vindt iemand anders hem. Iemand die hem vertelt dat ik de reden ben dat zijn leven mislukt is.
Nederland heeft de cocon uitgevonden
Mensen klagen dat groepen zich hier terugtrekken in hun eigen kring. Eigen moskee, eigen kerk, eigen feest, eigen app-groep.
Maar Nederland heeft de cocon uitgevonden. Het heette verzuiling. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen hadden hun eigen school, krant, omroep, vakbond en voetbalclub. Wie zich nu terugtrekt in zijn eigen kring, doet iets heel Nederlands. Vroeger koos je je krant. Nu kiest een algoritme je wereld.
En de cocon is niet alleen etnisch. Het Sociaal en Cultureel Planbureau zag dat de armste en de rijkste Nederlanders elkaar steeds minder tegenkomen: in de buurt, op het schoolplein, op het werk.
We hebben van diversiteit een optelsom gemaakt. Hier de Surinaamse gemeenschap. Daar de Marokkaanse. Daar de expats. Daar de witte arbeidersklasse. Daar queer Nederland. Iedereen krijgt zijn eigen tafel, en daarna feliciteren we onszelf met een multicultureel restaurant.
Maar we eten niet samen. We praten vooral over elkaar. En steeds vaker alleen met mensen die onze taal, onze pijn en onze analyse al kennen.
Eerlijk is ook: veel mensen trekken zich terug omdat ze buiten de deur te vaak zijn afgewezen. Dan is de cocon geen keuze maar een schuilkelder. Ik weet het. Na mijn diagnose ADHD en HSP kreeg ik te maken met enorme sociale angst. Ik had een deur opengetrapt die ik niet meer dicht kreeg. I could not fake it until I made it. I had to be real. Toen werd ik pas echt bang. Jarenlang kwam ik bijna de deur niet uit; godzijdank vielen de coronajaren daar voor een deel in. Alles wat ik al die jaren had onderdrukt, raakte me nu. I hated people so much. Ik dacht echt: hier kom ik niet meer uit. Iedereen deed me pijn. Pas later kwam het besef dat het zich in eerste instantie in mijn hoofd afspeelde.
Maar een cocon beschermt en verstikt tegelijk. Het is een plek waar niets nieuws binnenkomt. Allport zag ook de uitweg: contact. Niet het multiculturele dagje, maar mensen die elkaar als gelijken ontmoeten en samen aan iets werken. Het is een van de stevigste bevindingen uit de sociale wetenschap, en ook een van de minst sexy. Zoals Barbra Streisand zong: People who need people are the luckiest people in the world. It’s the reason dat ik altijd weer de weg naar buiten vond. Langzaam, dat wel: het hele proces heeft bij mij bijna acht jaar geduurd.
Nederigheid is geen knieval
Vroeger betekende bescheidenheid voor mij dat ik mezelf kleiner maakte. Niet te luid. Niet te zwart. Niet te homo. Niet te gevoelig. Niet te slim. Niet te aanwezig.
Dat is geen nederigheid. Dat is verdwijnen.
In het Maleis bestaan twee woorden die bijna hetzelfde klinken. Rendah hati: een laag hart, nederigheid. Rendah diri: een laag zelf, minderwaardigheid. Het verschil is alles.
Nederigheid is ook niet het Nederlandse ‘doe maar gewoon’, dat vooral betekent: steek je hoofd niet boven het maaiveld. Bral omschrijft nederigheid als ‘een diep besef van onze krachten én onze beperkingen in het grotere geheel’. Het voorkomt dat we vastroesten in zelfverheerlijking. Dat is hard nodig in een tijd waarin iedereen zichzelf op een scherm opblaast.
Nederigheid is weten wat je kunt, zonder te denken dat je daarom méér bent. Je wond kennen, zonder te verlangen dat iedereen zich rond die wond organiseert. Kunnen zeggen: hier weet ik iets van. En even makkelijk: hier weet ik het niet. Excuses maken die niet eindigen met ‘maar’.
Ik kan gekwetst zijn en toch kwetsen. Ik kan lijden en toch voorrecht hebben. Dat en-en is geen lafheid. Het is de moeilijkste vorm van volwassenheid. Dat heb ik vooral moeten leren toen ik hoorde hoe kennissen, familie en vrienden mij al die jaren hadden ervaren. Vanbinnen was ik de onzekerheid zelf. Vanbuiten was ik voor hen een van de zekerste mensen die ze kenden: iemand die altijd wist wat te doen, en die, hoe vaak hij ook op zijn bek ging, altijd weer opstond en zichzelf opnieuw uitvond. En dan mijn mond. Mie gado, niet te zuinig, mevrouw! Ik was bepaald niet de zachtste. Niet om iemand pijn te doen, maar ik noemde het beestje wel heel vaak bij de naam. Je kent het spreekwoord: de splinter in het oog van de ander zien, en de balk in je eigen oog niet. Nou, ik maakte mijn balk categorisch kleiner.
In zuidelijk Afrika zeggen ze umuntu ngumuntu ngabantu: een mens is een mens door andere mensen. Dat is geen zachte gedachte. Het betekent dat ik niet besta zonder jou, ook niet zonder de jij die ik niet mag. Ik heb lang niet beseft hoe waar dat zou blijken.
Woede is soms gerechtvaardigd. Sommige veranderingen kwamen pas omdat mensen woedend genoeg waren om niet langer te zwijgen. Maar woede kan een deur intrappen. Ze kan niet bepalen wat we daarna in die kamer bouwen.
‘De grootste kracht ligt niet in schoppen, slaan en spugen,’ schrijft Bral. ‘De grootste kracht ligt in het overtuigen van anderen met nederigheid.’ Ik voeg daar één ding aan toe: zonder de ander te vernederen.
Eerst ik. Dan jij. Dan wij.
Op mijn achtenzestigste ben ik minder geïnteresseerd in de vraag wie schuldig is, en meer in de vraag wat iets doet.
Waar reageer ik op? Wat weet ik werkelijk? Wat projecteer ik? Waar ben ik bang voor? Welke macht heb ik zelf?
En pas daarna: wie staat daar tegenover mij? Niet als vertegenwoordiger van wit Nederland, zwart Nederland, de islam, de homo’s, de boomers, links of rechts. Maar als mens.
Dat klinkt kinderlijk eenvoudig. Misschien is het dat ook. De moeilijkheid zit niet in het begrijpen. De moeilijkheid zit in het doen.
Nederland heeft niet minder diversiteit nodig. We hebben de moed nodig om onze diversiteit werkelijk te bewonen. Niet alleen onze kleur en onze afkomst. Ook onze klasse, ons brein, onze geschiedenis, onze beperkingen, onze vooroordelen. Alles. En dan uit onze cocons komen. Niet om hetzelfde te worden. God verhoede. Maar om te ontdekken dat verschil geen afstand hoeft te betekenen.
Misschien begint samenleven pas wanneer ik niet meer van jou verlang dat jij eerst toegeeft dat mijn pijn groter is. En jij niet meer van mij verlangt dat ik doe alsof mijn geschiedenis niet bestaat. Dan kunnen we elkaar aankijken zonder eerst een rangorde van leed op tafel te leggen. Ik moest eerst mijn eigen pijn voelen, ervaren, een plek geven en laten bestaan. Ja, je hoort het goed: laten bestaan. Pas daardoor kon ik invoelen dat een ander ook een verhaal heeft, ook pijn, waar hij ook vandaan komt.
Een wij dat afsluit, is een stam. Een wij dat aanwijst, is een club. Een wij dat zich verdedigt, is een vesting. Een wij dat opent, is een gemeenschap.
Ik ben meer dan wat mij is aangedaan. En jij bent meer dan het systeem waarvan je misschien voordeel hebt gehad.
‘We delen meer dan ons verdeelt,’ schreef Sjaak Bral. ‘Die boodschap is even eenvoudig maar komt loeihard binnen.’ Bij mij in ieder geval wel. Ze bracht me dit stuk.
Er is geen hij of zij. Geen jij tegenover ik. Er zijn alleen verschillende vormen van wij.






