Alle berichten van Circle Of life

Onbekend's avatar

Over Circle Of life

This Isn’t Just a Blog Jules-Scott Schotsborg, from Suriname soil, Rotterdam streets to the world. I write to survive. To feel. To remember. Stories of Mental Health, Queerness, Travel, Family, Blackness, the intimacy of being truly seen, Silence, Love, and Joy — Stories of survival, identity, and becoming — penned in airports, alleyways, hospital beds, and whispered moments. Wherever I go, I write myself back home.

Verschillende vormen van wij

Oct 10, 2026 · @Jules Herman Samuel Schotsborg


Onlangs las ik een column van Sjaak Bral in het Algemeen Dagblad: We denken allemaal dat we anders zijn – en daarom zijn we allemaal hetzelfde. Ik liep al een tijd met dit onderwerp rond en wist niet hoe ik het vorm moest geven. Want in de slachtofferrol kan ik me slecht vinden. Ik ben zelf veel te lang slachtoffer geweest, vooral van mijn eigen ingebouwde stemmen. Toen ik die kop las, dacht ik: hier laat ik mijn anker vallen. Dit is mijn begin.

Ik ben zwart. Ik ben homoseksueel. Ik ben neurodivergent. Ik ben geboren in Paramaribo en kwam in 1966, acht jaar oud, naar Rotterdam.

Ik weet hoe discriminatie voelt.

Dat schrijf ik niet om mezelf gezag te geven over iedereen die gediscrimineerd wordt. Ik schrijf het omdat ik lang genoeg heb geleefd om te weten dat discriminatie zich niet netjes aan één kant van de tafel bevindt.

Ik heb haar ondergaan. En ik heb haar zelf bedreven.

Misschien is dat laatste het moeilijkste om hardop te zeggen. Daarom heeft het ook zo lang geduurd voordat ik hierover kon schrijven.

Ik ben Creool. Ik draag de slaaf. Ik draag de meester. Maar geen van beiden bezit mij. Dat betekent ook: ik kan niet doen alsof de meester alleen buiten mij woont.

‘Er is geen hij of zij, of jij of ik. Er zijn alleen verschillende vormen van wij,’ schrijft Bral. En juist daar begint het moeilijke gesprek.

Racisme bestaat. Punt.

Laat ik dat eerst zeggen, omdat anders alles wat hierna komt verkeerd gelezen kan worden.

Racisme is geen verzinsel van overgevoelige mensen. Het zit in onze geschiedenis, in instituties, in kansen, in de beelden die we van elkaar hebben. Het is niet alleen een scheldwoord of een gesloten deur. Het is ook een grammatica: een manier van indelen en veronderstellen die werkt in zinnen als ‘waar kom je écht vandaan’. En het werkt in stiltes: in de grap die niemand corrigeert.

In 2023 zei 11 procent van de Nederlanders van vijftien jaar en ouder dat zij zich het afgelopen jaar gediscrimineerd hadden gevoeld. Ras of huidskleur was de meest genoemde grond, en de Nederlands-Surinaamse tweede generatie maakte dat het vaakst mee. In februari 2023 oordeelde het gerechtshof in Den Haag dat de Koninklijke Marechaussee mensen bij grenscontroles mede selecteerde op huidskleur. Het hof noemde dat rassendiscriminatie en verbood het. Bij de toeslagenaffaire gebruikte de Belastingdienst een tweede nationaliteit als risicosignaal.

Dat zijn geen gevoelens. Dat zijn formulieren, profielen, algoritmes. Een vooroordeel wordt een systeem op het moment dat het een loket krijgt.

Gloria Wekker, Surinaams-Nederlands zoals ik, noemde het witte onschuld: een Nederlands zelfbeeld van tolerantie dat zo dierbaar is dat het zelfonderzoek in de weg staat. Toen nazaten van tot slaaf gemaakten zeiden dat Zwarte Piet hun pijn deed, was de eerste reactie niet luisteren maar verdedigen. ‘Wij zijn geen racisten. Dit is traditie.’ Philomena Essed liet al in de jaren tachtig zien dat racisme hier zelden met geschreeuw komt, maar met een ober die iedereen aan tafel ziet behalve jou.

Ik heb die cijfers niet nodig om te weten dat racisme bestaat. Ik heb de blikken gezien. De grapjes gehoord. De aannames gevoeld voordat er één woord was gesproken.

‘Wat spreek jij goed Nederlands, zeg. Waar heb je dat geleerd?’ Mind you, dat was echt als compliment bedoeld. Ik heb nooit een andere taal gesproken dan Nederlands. Ik ben geboren met hetzelfde paspoort. Think about it.

Of het kappersvak, toen ik solliciteerde. Mijn naam is heel Nederlands, mijn stem een tikje bekakt. Aan de telefoon klonk ik als precies wat ze zochten. Dus als ik binnenkwam, schrokken ze zich een hoedje en wisten ze zich geen houding te geven. En dan keek ik ze ook nog recht in de ogen. Na het gesprek kreeg ik altijd te horen: we bellen je terug. Ik leerde zeggen: nee, ik bel zelf wel.

Eén van mijn beste werkgevers heb ik zo gekregen. Na een superleuk, onderhoudend gesprek hoorde ik niets. Ik belde, en bleef aandringen: waarom kreeg ik de baan niet? Hij gaf het eerlijk toe. Hij was bang dat zijn klanten moeite met mij zouden hebben. Op dat moment hoorde ik op de achtergrond zijn vrouw roepen: ‘Hou op met die onzin, geef die jongen een kans.’

Toen ik drie jaar later vertrok voor mijn eerste wereldreis, moest ik een taxi nemen om alle cadeaus mee naar huis te krijgen. We zijn jaren bevriend gebleven.

Maar juist omdat ik weet dat racisme bestaat, wil ik voorzichtig zijn met het woord. Een woord dat alles verklaart, verklaart uiteindelijk niets meer. Die werkgever was bang. Hij was geen vijand. Het verschil tussen die twee heeft mijn leven gevormd.

Vooroordeel is een reflex

We praten over racisme alsof het iets is wat de ander heeft. Een vlek op andermans jas. Iets wat je kunt aanwijzen, zodat je zelf schoon blijft.

Maar vooroordeel is geen vlek. In 1954 beschreef de psycholoog Gordon Allport het al: elk mensenbrein vereenvoudigt, deelt in, overdrijft het verschil tussen groepen en vergeeft de eigen groep sneller dan de andere. Dat doet een witte man in Spijkenisse. Dat doet een Hindostaanse tante in Paramaribo. Dat doe ik.

Iedereen draagt vooroordelen. Maar niet iedereen heeft een instituut achter zich staan. Dus ja: we dragen het allemaal. En nee: dat maakt de rekening niet gelijk.

Niet iedere wond heet racisme

Soms zie ik mensen iedere afwijzing, iedere verkeerde toon, iedere botsing door één lens bekijken. Racisme.

En soms is het racisme. Maar soms ook niet. Soms is iemand lomp. Soms begrijpt iemand je niet. Soms spelen klasse, leeftijd, seksualiteit, taal, religie of status een rol. Soms botsen twee persoonlijkheden.

En soms, en dat vond ik het moeilijkst om te leren, neem je jezelf mee de kamer in. Je geschiedenis. Je onzekerheid. Je verwachtingen. De manier waarop je prikkels verwerkt.

Ik heb lang gedacht dat de wereld zo hard bij mij binnenkwam omdat de wereld zo hard was. Dat was gedeeltelijk waar. Maar ik ontdekte ook dat ik hard binnenkwam bij de wereld. Mijn ADHD, mijn gevoeligheid, mijn intensiteit: ze lieten me signalen zien die anderen werkelijk misten. Maar ze konden er ook voor zorgen dat ik betekenis gaf aan iets waarvan ik nog niet wist wat het betekende. You have no idea.

Dat inzicht maakte het racisme dat ik werkelijk tegenkwam niet minder werkelijk. Het maakte mij nauwkeuriger. En nauwkeurigheid vind ik tegenwoordig belangrijker dan gelijk krijgen.

Mijn brein is geen weerlegging van mijn zwarte huid. Mijn zwarte huid is geen verklaring voor alles wat mij overkomt.

Ik heb mezelf leren vragen, vóór ik een ander beschuldig: wat is hier van mij? Niet om het onrecht weg te praten. Om te weten waar ik sta als ik het benoem. Een beschuldiging die uit zelfkennis komt, is scherper dan een die alleen uit pijn komt. Ze is ook moeilijker af te doen.

Wie zichzelf niet kent, maakt de ander groter dan hij is. Of kleiner. Groter: de almachtige onderdrukker die alles kan. Kleiner: het slachtoffer dat niets kan en daarom altijd gelijk heeft. Beide beelden ontmenselijken. Trust me, ik weet hoe dat voelt. Onzekerheid is a bitch.

Ook wij hebben spiegels nodig

Er is iets wat ik als zwarte man wil kunnen zeggen zonder meteen verdacht te worden van verraad aan mijn eigen groep.

Wij kunnen zelf discrimineren. En hoe.

Ik ben jarenlang kapper geweest. Onder mijn handen zaten hoofden van elke kleur, en mensen in een kapperstoel vergeten dat je luistert.

‘Lieverd, toen ik de eerste keer binnenkwam, dacht ik dat je hier werkte. De zaak zag er zo wit uit.’ Lees: zo mooi. ‘Ik schrok toen ik hoorde dat hij van jou was.’ En: ‘Ik kon niet geloven dat een zwarte man dat kon.’ The sweetest lady, mind you. In my face, alsof het niets was. Hahaha. Are you fucking for real?

Ik hoorde Creolen over Hindostanen, Hindostanen over Creolen, bijna iedereen over Javanen en Marrons. Iedereen over die witte mensen. En je wilt niet weten hoe er over Turken en Marokkanen werd gesproken.

En dan het haar. Goed haar, slecht haar. Krullen, glad. Ik hoorde moeders zo over het slechte haar van hun eigen kinderen praten. Heel vaak zei ik dan, expres met een dikke Surinaamse tongval: ‘Hou op hoor. Je frustreert dat kind voor de rest van der leven, baja.’ Maar ik zag het ook bij collega’s. Kappers die iemand met zogenaamd ‘moeilijk haar’ (met andere woorden: ik kan hier niet zoveel mee) meer lieten betalen, terwijl ze gewoon incompetent waren en daarom zo lang met dat haar bezig waren. Twee zussen kwamen voor dezelfde behandeling. De één had wat gladder haar dan de ander. De zus met het kroezere haar betaalde meer. Toen ik mijn collega, een Chinese vrouw, erop aansprak, was het antwoord: ‘Dan had ze maar ergens anders heen moeten gaan.’ I wanted to give her wan faya klap. Ga je kunnen!

Onze families kunnen genadeloos zijn tegenover homoseksualiteit. Als homo heb ik dat vaak moeten ondergaan. En wat ik het meest stuitend vond: in mijn eigen groep werd ik niet geaccepteerd, in de witte groep wel. Tenminste, zo leek het. Aan de buitenkant was de witte wereld toleranter. In de zwarte wereld lag de afkeer van homo’s meer aan de oppervlakte. Maar binnen de witte homowereld speelde dezelfde uitsluiting, alleen in een andere vorm. Daar werd ik exotisch.

Wie wordt buitengesloten, voelt hetzelfde. En toch doen we het elkaar gewoon weer aan. Ik herkende het in Suriname, in Maleisië, in Nederland, en daarna over de hele wereld. As humans we are amazing and flawed at the same time.

Onze gemeenschappen kunnen kleur rangschikken, klasse bewaken, en wie afwijkt ‘niet zwart genoeg’ noemen. Mij noemden ze een witte neger. Een Uncle Tom. En het pijnlijke is: ze hadden lang gelijk. Ik had de witte blik zo goed overgenomen dat ik er zelf mee keek, ook naar mijn eigen mensen. Ik heb heel veel literatuur over onze menselijke geschiedenis nodig gehad om dat juk van me af te werpen.

Het rangschikken van kleur en de homofobie hebben we niet allemaal van de Nederlander geleerd. Of eerlijker: we hebben het van hem geleerd, en daarna hebben we het van onszelf gemaakt. De koloniale geschiedenis maakt dat pijnlijk duidelijk. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft het allemaal keurig gedocumenteerd. We kunnen het tot op de dag van vandaag nalezen.

Het gekoloniseerde bewustzijn leert zichzelf te reguleren binnen de grenzen die het systeem toestaat. Niet uit domheid. Uit zelfbehoud.

In Kuala Lumpur zag ik hetzelfde mechanisme in een ander jasje, en ik zag mezelf erin. Maleisië was zelf gekoloniseerd en bouwde na de onafhankelijkheid een eigen rangorde, met wettelijke voorrang voor de Maleisische meerderheid. Indiase vrienden vroegen me steevast, als ze me net leerden kennen, of ik me daar niet gediscrimineerd voelde. Dat deed ik niet. Ik voelde me als God in Frankrijk. Terwijl zij, Indiase Maleisiërs, door hun donkere huid als minder werden gezien.

Dat ik het niet voelde, had hele andere redenen. Ik was zwart, maar westers. Ik viel op door de manier waarop ik me tot iedereen verhield. In hoe ik me kleedde. Een pauw en they loved it. Mensen waren onder de indruk, omdat ik niet paste in het beeld dat ze van een zwarte man hadden. Daar had ik het privilege dat ik in Nederland de witte Nederlander toeschrijf: een afwezigheid van wrijving. Mijn Indiase vrienden voelden de wrijving. Ik niet.

En nu het deel dat ik haat. In het begin keek ik op iedereen neer. De stad leek westers. Ze had alles wat ik kende, en meer. Maar westers was ze helemaal niet. Maleis, Chinees en Indiaas door elkaar, net als het Paramaribo van Creolen, Hindostanen, Javanen en Chinezen. Ik herkende thuis. Ik herkende Suriname, een multiraciale samenleving. En ik keek neer op iets wat op mijn eigen oorsprong leek. Ook met mijn zwarte huid was ik daar een westerling, met een aangeleerde westerse blik. Het zou nog jaren duren voordat ik kon toegeven dat ook ik enorme vooroordelen had.

Lijden geeft geen diploma in menselijkheid. Dat geldt voor niemand. Wie op maandag slachtoffer is, kan op dinsdag iemand buitensluiten. Wie vanwege zijn huidskleur vernederd is, kan een ander vernederen vanwege diens seksualiteit. Wie als migrant voor een gesloten deur stond, kan jaren later zelf de deur dichtdoen voor een nieuwkomer.

Daarvoor hoef je geen slecht mens te zijn. Je hoeft alleen mens te zijn.

Dat is confronterender. Als het kwaad alleen bij slechte mensen zat, hoefden de goeden alleen maar te wijzen. Ik heb mijn eigen innerlijke meester moeten leren herkennen. Niet alleen degene die ooit zei dat ik minder was. Ook degene in mij die besloot wie een ander was, voordat die ander zichzelf kon laten zien.

Wit privilege is geen bankrekening

Ook het gesprek over wit privilege loopt voor mij vaak vast. Niet omdat het niet bestaat. Wel omdat we het verkeerd begrijpen.

Privilege is geen bedrag dat bij je geboorte op je rekening wordt gestort. Het is een afwezigheid van wrijving. Het betekent dat één bepaalde hindernis niet vanwege díé eigenschap voor je wordt neergezet. Er kunnen nog honderd andere hindernissen staan.

Een man kan wit zijn en arm. Wit en laaggeletterd. Wit en ziek. Wit en eenzaam. Wit en volledig vermalen door instanties waarvan hij niet begrijpt hoe hij zich moet verdedigen. Een witte man in Rotterdam-Zuid met schulden, een kapot lijf en geen perspectief: wat koopt hij voor zijn privilege?

Onderzoek laat zien dat arme witte arbeiders kleine maar echte voordelen hebben door hun kleur, ook als hun klasse ze vermorzelt. Allebei waar. Hij wordt niet uit de rij gehaald op Schiphol. En daar betaalt hij zijn huur niet mee.

De Amerikaanse denker W.E.B. Du Bois zag al in 1935 hoe dat werkt. Arme witte arbeiders kregen een ‘psychologisch loon’: het gevoel dat er tenminste nog iemand onder hen stond. Dat loon kostte de elite niets. En het zorgde ervoor dat arme witte en arme zwarte mensen elkaar wantrouwden in plaats van samen naar boven te kijken.

Als ik tegen iemand die verdrinkt in armoede alleen zeg dat hij zijn privilege moet erkennen, kan ik theoretisch gelijk hebben en menselijk volledig de plank misslaan. Dan zie ik de categorie en niet meer de mens. En precies dat verwijt maken we racisme.

En als wij hem alleen zijn privilege voorhouden en zijn armoede niet zien, verliezen we hem. Dan vindt iemand anders hem. Iemand die hem vertelt dat ik de reden ben dat zijn leven mislukt is.

Nederland heeft de cocon uitgevonden

Mensen klagen dat groepen zich hier terugtrekken in hun eigen kring. Eigen moskee, eigen kerk, eigen feest, eigen app-groep.

Maar Nederland heeft de cocon uitgevonden. Het heette verzuiling. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen hadden hun eigen school, krant, omroep, vakbond en voetbalclub. Wie zich nu terugtrekt in zijn eigen kring, doet iets heel Nederlands. Vroeger koos je je krant. Nu kiest een algoritme je wereld.

En de cocon is niet alleen etnisch. Het Sociaal en Cultureel Planbureau zag dat de armste en de rijkste Nederlanders elkaar steeds minder tegenkomen: in de buurt, op het schoolplein, op het werk.

We hebben van diversiteit een optelsom gemaakt. Hier de Surinaamse gemeenschap. Daar de Marokkaanse. Daar de expats. Daar de witte arbeidersklasse. Daar queer Nederland. Iedereen krijgt zijn eigen tafel, en daarna feliciteren we onszelf met een multicultureel restaurant.

Maar we eten niet samen. We praten vooral over elkaar. En steeds vaker alleen met mensen die onze taal, onze pijn en onze analyse al kennen.

Eerlijk is ook: veel mensen trekken zich terug omdat ze buiten de deur te vaak zijn afgewezen. Dan is de cocon geen keuze maar een schuilkelder. Ik weet het. Na mijn diagnose ADHD en HSP kreeg ik te maken met enorme sociale angst. Ik had een deur opengetrapt die ik niet meer dicht kreeg. I could not fake it until I made it. I had to be real. Toen werd ik pas echt bang. Jarenlang kwam ik bijna de deur niet uit; godzijdank vielen de coronajaren daar voor een deel in. Alles wat ik al die jaren had onderdrukt, raakte me nu. I hated people so much. Ik dacht echt: hier kom ik niet meer uit. Iedereen deed me pijn. Pas later kwam het besef dat het zich in eerste instantie in mijn hoofd afspeelde.

Maar een cocon beschermt en verstikt tegelijk. Het is een plek waar niets nieuws binnenkomt. Allport zag ook de uitweg: contact. Niet het multiculturele dagje, maar mensen die elkaar als gelijken ontmoeten en samen aan iets werken. Het is een van de stevigste bevindingen uit de sociale wetenschap, en ook een van de minst sexy. Zoals Barbra Streisand zong: People who need people are the luckiest people in the world. It’s the reason dat ik altijd weer de weg naar buiten vond. Langzaam, dat wel: het hele proces heeft bij mij bijna acht jaar geduurd.

Nederigheid is geen knieval

Vroeger betekende bescheidenheid voor mij dat ik mezelf kleiner maakte. Niet te luid. Niet te zwart. Niet te homo. Niet te gevoelig. Niet te slim. Niet te aanwezig.

Dat is geen nederigheid. Dat is verdwijnen.

In het Maleis bestaan twee woorden die bijna hetzelfde klinken. Rendah hati: een laag hart, nederigheid. Rendah diri: een laag zelf, minderwaardigheid. Het verschil is alles.

Nederigheid is ook niet het Nederlandse ‘doe maar gewoon’, dat vooral betekent: steek je hoofd niet boven het maaiveld. Bral omschrijft nederigheid als ‘een diep besef van onze krachten én onze beperkingen in het grotere geheel’. Het voorkomt dat we vastroesten in zelfverheerlijking. Dat is hard nodig in een tijd waarin iedereen zichzelf op een scherm opblaast.

Nederigheid is weten wat je kunt, zonder te denken dat je daarom méér bent. Je wond kennen, zonder te verlangen dat iedereen zich rond die wond organiseert. Kunnen zeggen: hier weet ik iets van. En even makkelijk: hier weet ik het niet. Excuses maken die niet eindigen met ‘maar’.

Ik kan gekwetst zijn en toch kwetsen. Ik kan lijden en toch voorrecht hebben. Dat en-en is geen lafheid. Het is de moeilijkste vorm van volwassenheid. Dat heb ik vooral moeten leren toen ik hoorde hoe kennissen, familie en vrienden mij al die jaren hadden ervaren. Vanbinnen was ik de onzekerheid zelf. Vanbuiten was ik voor hen een van de zekerste mensen die ze kenden: iemand die altijd wist wat te doen, en die, hoe vaak hij ook op zijn bek ging, altijd weer opstond en zichzelf opnieuw uitvond. En dan mijn mond. Mie gado, niet te zuinig, mevrouw! Ik was bepaald niet de zachtste. Niet om iemand pijn te doen, maar ik noemde het beestje wel heel vaak bij de naam. Je kent het spreekwoord: de splinter in het oog van de ander zien, en de balk in je eigen oog niet. Nou, ik maakte mijn balk categorisch kleiner.

In zuidelijk Afrika zeggen ze umuntu ngumuntu ngabantu: een mens is een mens door andere mensen. Dat is geen zachte gedachte. Het betekent dat ik niet besta zonder jou, ook niet zonder de jij die ik niet mag. Ik heb lang niet beseft hoe waar dat zou blijken.

Woede is soms gerechtvaardigd. Sommige veranderingen kwamen pas omdat mensen woedend genoeg waren om niet langer te zwijgen. Maar woede kan een deur intrappen. Ze kan niet bepalen wat we daarna in die kamer bouwen.

‘De grootste kracht ligt niet in schoppen, slaan en spugen,’ schrijft Bral. ‘De grootste kracht ligt in het overtuigen van anderen met nederigheid.’ Ik voeg daar één ding aan toe: zonder de ander te vernederen.

Eerst ik. Dan jij. Dan wij.

Op mijn achtenzestigste ben ik minder geïnteresseerd in de vraag wie schuldig is, en meer in de vraag wat iets doet.

Waar reageer ik op? Wat weet ik werkelijk? Wat projecteer ik? Waar ben ik bang voor? Welke macht heb ik zelf?

En pas daarna: wie staat daar tegenover mij? Niet als vertegenwoordiger van wit Nederland, zwart Nederland, de islam, de homo’s, de boomers, links of rechts. Maar als mens.

Dat klinkt kinderlijk eenvoudig. Misschien is het dat ook. De moeilijkheid zit niet in het begrijpen. De moeilijkheid zit in het doen.

Nederland heeft niet minder diversiteit nodig. We hebben de moed nodig om onze diversiteit werkelijk te bewonen. Niet alleen onze kleur en onze afkomst. Ook onze klasse, ons brein, onze geschiedenis, onze beperkingen, onze vooroordelen. Alles. En dan uit onze cocons komen. Niet om hetzelfde te worden. God verhoede. Maar om te ontdekken dat verschil geen afstand hoeft te betekenen.

Misschien begint samenleven pas wanneer ik niet meer van jou verlang dat jij eerst toegeeft dat mijn pijn groter is. En jij niet meer van mij verlangt dat ik doe alsof mijn geschiedenis niet bestaat. Dan kunnen we elkaar aankijken zonder eerst een rangorde van leed op tafel te leggen. Ik moest eerst mijn eigen pijn voelen, ervaren, een plek geven en laten bestaan. Ja, je hoort het goed: laten bestaan. Pas daardoor kon ik invoelen dat een ander ook een verhaal heeft, ook pijn, waar hij ook vandaan komt.

Een wij dat afsluit, is een stam. Een wij dat aanwijst, is een club. Een wij dat zich verdedigt, is een vesting. Een wij dat opent, is een gemeenschap.

Ik ben meer dan wat mij is aangedaan. En jij bent meer dan het systeem waarvan je misschien voordeel hebt gehad.

‘We delen meer dan ons verdeelt,’ schreef Sjaak Bral. ‘Die boodschap is even eenvoudig maar komt loeihard binnen.’ Bij mij in ieder geval wel. Ze bracht me dit stuk.

Er is geen hij of zij. Geen jij tegenover ik. Er zijn alleen verschillende vormen van wij.

De stof die onthoudt

Yampanesi krosi

In het depot van het Wereldmuseum liggen Surinaamse hoofddoeken die ik nooit in het echt heb gezien. Toch ken ik ze. Iedereen die is opgegroeid tussen tantes met gesteven angisa’s kent ze.

Eén is rood, uit 1963. Twee keer het wapen van Suriname erop. 1 juli 1863, 1 juli 1963. In de hoeken zwarte handen, de kettingen gebroken, en de woorden Keti Koti. Honderd jaar afschaffing van slavernij, op katoen gedrukt, op een hoofd gezet. Ik was vijf dat jaar en woonde nog in Paramaribo. Misschien heb ik hem gezien, op het hoofd van een vrouw die zich over mij heen boog. Ik weet het niet. Ik doe alsof.

Een paar beschrijvingen verder ligt een andere angisa, gevouwen in het model dat ‘Let them talk, Laat ze praten’ heet. En dan staat er, bijna achteloos, één zin bij: het patroon is gebaseerd op Javaanse batik. Yampanesi.

Ik moest lachen. Natuurlijk. Een Creoolse vrouw die zegt: let them talk, laat ze maar praten. En ze zegt het met een Javaans patroon op haar hoofd. Niemand in Paramaribo vond dat vreemd. Niemand vond het zelfs het benoemen waard. Het was gewoon een mooie doek.

Maar hoe komt een Javaans patroon op een Creools hoofd? Daarvoor moet ik terug. Niet ver. Een paar schepen.


Begin bij de mannen.

Tussen 1831 en 1872 haalde Nederland ruim drieduizend West-Afrikanen van de Goudkust, het huidige Ghana. De meesten waren Akan. Ze werden soldaat in het Indische leger, dat later KNIL zou heten, op Java en Sumatra. De Indonesiërs gaven ze een naam die bleef hangen: Belanda Hitam. Zwarte Hollanders.

Een deel ging terug naar Elmina. Met pensioen, met verhalen, en volgens de overlevering met kisten Javaanse batik. Historici zijn voorzichtig; fysiek bewijs ontbreekt. Maar ik houd het beeld vast.

Want kijk wie dat waren. Volgens het museum vormden de Ashanti, een Akanvolk, in de achttiende eeuw een groot deel van de tot slaaf gemaakten in Suriname. Van hen zou ook de gewoonte komen om met een geknoopte hoofddoek boodschappen door te geven. Dezelfde etniciteit, gesplitst door twee koloniale trajecten. Eerst naar het westen gebracht, in ketens, met hun geheimtaal van geknoopte stof. Een eeuw later naar het oosten, in uniform. En terug naar huis met Javaanse stof.

Of die soldaat wist dat mensen van zijn eigen volk in Suriname al generaties lang met knopen spraken, weten we niet. Waarschijnlijk wist hij het zelf niet. Maar de doeken wisten het. Doeken onthouden wat mensen moeten vergeten om verder te kunnen.


Dan de fabriek.

Rond 1850 kregen Nederlandse textielfabrikanten, zoals Prévinaire en Fentener van Vlissingen, Javaanse batik in handen. Ze bouwden machines die de was-resist-techniek nadeden met hars. Het plan was eenvoudig: goedkope imitatie maken en die terugverkopen aan Java.

Java bedankte. De nep rook niet naar was. Er zat geen hand in. Bovendien maakten Javanen met stempels zelf echte batik, goedkoper dan ooit. Daar kon Helmond niet tegenop.

Dus voeren de schepen vanaf de jaren 1880 de andere kant op, naar de West-Afrikaanse havens. En daar gebeurde wat in Helmond niemand had bedacht. De barstjes in de verf werden geen fout, maar karakter. Marktvrouwen in Accra en Lomé grepen de kans. Ze gaven de patronen namen, spreekwoorden, roddels. Een kopie die op Java mislukte, werd in West-Afrika een taal.


En dan 1890. Een jaar waarin twee dingen gebeurden die niets van elkaar wisten.

In Pekalongan, aan de noordkust van Java, opende Eliza van Zuylen haar batikatelier. Zij was de dochter van een Nederlandse soldaat en een Indo-Europese vrouw. Een Indo, dus. Ze tekende Hollandse bloemen en Europese sprookjes, en Javaanse vrouwen zetten die met hete was op katoen. Was het goed, dan kwam haar handtekening erop. In Indonesië heet dat batik Belanda. Hollandse batik. En Indonesische schrijvers zeggen er nuchter bij: dat is gewoon Indonesische batik. Allebei waar.

Op 9 augustus 1890 legde in Paramaribo een schip aan met vierennegentig Javanen. De eersten. Gelokt met beloftes die Anton de Kom later leugens zou noemen. Er zouden er bijna drieëndertigduizend volgen. De meesten bleven.

Zo kwam Java voor de tweede keer naar Suriname. Niet als patroon op een fabriekslap, maar in mensen. In het Sranang heten ze Yampanesi. De stof ook: Yampanesi krosi.


Patrick is Indo. Ik ben Creool. Hij ontstond in het oude Indië, uit onder meer Holland en Indonesië. Ik ontstond in de Cariben en Zuid-Amerika, uit onder meer Holland en Afrika. Ik ben de erfgenaam van de eigenaar én van het eigendom. Hij ook, op zijn manier. Hij: te Nederlands voor Indonesië, te Indonesisch voor Nederland. Ik: te Hollands voor Paramaribo, te zwart voor de grachtengordel.

.

Zijn ouders kwamen eind jaren vijftig uit het oude Indië, en niet omdat ze dat wilden. De Bersiap had het land al voor hen gesloten: die bloedige maanden na de Japanse capitulatie, toen een Hollandse naam of een half Hollands gezicht genoeg was om niet meer veilig te zijn. En op 5 december 1957, uitgerekend de avond van Sinterklaas, liet Soekarno de Nederlanders in Indonesië weten dat ze moesten vertrekken. Indische mensen noemen die dag Zwarte Sinterklaas. Geen cadeautjes uitpakken. Koffers inpakken.

Ik vraag me af wat zijn moeder in die koffer stopte. Een kain? Een sarong uit een atelier aan de noordkust? Iets wat nog naar was rook?

Patrick werd hier geboren, in 1962. Hij hoefde nergens aan te spoelen; zijn ouders hadden dat al voor hem gedaan. Ik kwam in 1966, acht jaar oud, uit Paramaribo overgevlogen. Hij was toen vier. Twee kinderen van hetzelfde rijk in hetzelfde koude kikker land, de één was er al, de ander net binnen. Niemand had ons gevraagd. Niemand had ons voor elkaar bedoeld.

In die tijd hadden we allebei hetzelfde Nederlandse paspoort: een zwart boekje dat bekendstond als het zwarte vod, omdat het zo makkelijk na te maken was. Nu is het bordeauxrood, de kleur van een ander rijk: het Europese. Zet ons naast elkaar en je ziet twee mannen uit hetzelfde oude rijk, die elkaar in dat rijk nooit hadden hoeven ontmoeten. Het rijk had ons in verschillende laatjes gestopt. Het kende de routes. De schepen, de contracten, de inventarislijsten.

Wat het niet kende, was de stof.

Want de stof ging gewoon haar eigen gang. Van Java naar Helmond naar Elmina. Via de herinnering van de Akan naar de hoofden van vrouwen in Paramaribo. Van Pekalongan naar de plantages van Commewijne. Overal kwam ze aan als iets van een ander. En overal werd ze van iemand.

Ik denk dat Patrick en ik ook zo zijn aangekomen. Als iets van een ander. En dat we ergens onderweg van elkaar zijn geworden.

Dit is geen aanklacht tegen ons koloniale verleden. Die is al door velen geschreven, en ja, hij klopt. Dit is een ander verhaal.

Het begint met een hoofddoek die ik nooit heb gezien. En met een man naast me op de bank, die ik wél zie.

Noot

De angisa’s uit dit verhaal bevinden zich in de collectie van het Wereldmuseum. Over de Belanda Hitam en de rol van West-Afrikaanse marktvrouwen bij Dutch wax schreven onder anderen Naa 1Densua Tordzro en onderzoekers van de University of Education Winneba, Ghana. Over batik Belanda en Eliza van Zuylen schreef onder meer Tirto.id. De cijfers over de Javaanse migratie naar Suriname komen van het Nationaal Archief.

Angisa — een gesteven, kunstig gevouwen hoofddoek, onderdeel van de traditionele Afro-Surinaamse klederdracht (de koto). De manier van vouwen, het patroon van de stof en soms de naam van de doek dragen een boodschap: een stemming, een gelegenheid, een mening die je niet hardop zegt. Zo werd de angisa een taal zonder woorden. Je ziet hem nu vooral bij feestelijke gelegenheden en bij Keti Koti, de herdenking van de afschaffing van de slavernij op 1 juli.2

“Over het ‘zwarte vod’ en de paspoortaffaire: Parlement.com, Parlementaire enquête Paspoortproject (1988).”3

  1. ↩︎
  2. ↩︎
  3. ↩︎

Niet Zeiken

Hou op met zeiken

Toen Ursula Von der Leyen vorig jaar op de G7 zei dat China’s handel “geen marktconcurrentie is, maar verstoring met opzet”, dacht ik aan Paramaribo.

Aan die verbazing wanneer de ander niet langer genoegen neemt met de plaats die jij voor hem had bedacht. Wanneer hij zelf iets maakt, zelf voorwaarden stelt en niet eerst vraagt of het wel gelegen komt.

Daar zit voor mij de irritatie. Ik hoor een klacht over handel, maar soms klinkt er iets bekends onderdoor: wie denken ze wel dat ze zijn?

Nou. Mensen met plannen. Net als wij.

Ik ben geboren in een land waar Nederland eeuwenlang bepaalde waarvoor de grond diende en wat een mensenleven waard was. Suiker, koffie, arbeid, verscheping. Handel, noemen we dat als we voldoende afstand nemen. In mijn geschiedenis wordt die afstand wat moeilijker. Ik draag de slaaf en de slaveneigenaar allebei in mijn bloed. Ik kan mezelf niet netjes aan de goede kant zetten en van daaruit wijzen.

Misschien luister ik daarom zo slecht naar verhalen waarin één partij alle redelijkheid bezit.

Europa spreekt graag over de regels. Ik wil ook weten wie ze schreef. Wie aan tafel zat. En wie alleen mocht leveren.

Dat maakt regels niet waardeloos. Maar het maakt hun geschiedenis wel relevant. Vooral wanneer degene die ze zo lang bepaalde nu verontwaardigd is dat een ander invloed wil.

Ook wanneer we iets doen met een verdedigbaar doel, mogen we blijven kijken naar wie de gevolgen draagt. Een Europese CO₂-heffing kan oprecht bedoeld zijn om uitstoot te verminderen en tegelijk zwaar uitpakken voor een producent die niet over onze middelen beschikt. Dan wil ik weten of we die helpen omschakelen, of alleen vertellen dat hij niet meer voldoet.

Dat laatste kennen we. De voorwaarden veranderen, de ander moet zich aanpassen, en wij noemen het vooruitgang.

Kijk eens vanuit China terug.

In de negentiende eeuw dwong Groot-Brittannië na de Eerste Opiumoorlog Chinese havens open en handelsvoordelen af. In de tweede oorlog deed Frankrijk mee. Europese handel kwam daar met oorlogsschepen. Die geschiedenis ligt aan het begin van wat in China de eeuw van vernedering wordt genoemd. Dat is nogal een achtergrond wanneer Europa je komt uitleggen hoe eerlijke handel hoort te werken.

Ik kan niet namens een Chinees spreken. Maar ik kan wel proberen die woorden vanaf de andere kant van de tafel te horen.

Beijing gaf toen ook gewoon antwoord. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken noemde de beschuldigingen van marktverstoring en overcapaciteit volkomen onjuist, een excuus voor protectionisme. En het draaide de zaak om: Europa zou zijn eigen bedrijven overladen met subsidies en een beleid van “Europese voorkeur” voeren. Dat is de lezing van een regering die haar eigen bedrijven verdedigt, maar het is wel een argument. Daar moet je iets beters tegenover zetten dan de aanname dat wij vanzelf de redelijke partij zijn.

En nu moet ik oppassen.

Want ik voel hoe makkelijk het is om vanuit die geschiedenis met China mee te knikken. Eindelijk iemand die Europa tegenspreekt. Eindelijk iemand die niet op toestemming wacht.

Maar als ik daar ophoud, doe ik precies wat ik Europa verwijt. Dan kies ik eerst mijn kamp en zoek ik daarna de werkelijkheid erbij.

Ook buiten het Westen bestaan bezwaren tegen Chinese export. Op verzoek van staalproducent CSN begon Brazilië in maart 2024 een onderzoek naar dumping van bepaalde dunne staalproducten uit China. In augustus 2025 volgde een definitieve antidumpingheffing voor maximaal vijf jaar.

In Zuid-Afrika werden op 18 september 2026 definitieve antidumpingheffingen ingevoerd op corrosiebestendige staalrollen uit China, na onderzoek door handelscommissie ITAC en klachten van Zuid-Afrikaanse producenten. Ruim drie weken eerder had diezelfde commissie nog een samenwerkingsakkoord met haar Chinese tegenhanger getekend. Zaken doen en je verweren gaan daar gewoon samen.

Een staalproducent in Brazilië of Zuid-Afrika heeft weinig aan mijn opluchting dat het Westen eindelijk concurrentie krijgt als hij zelf onder druk komt te staan.

En het Mondiale Zuiden? Dat is ook geen familie die bij iedere ruzie achter dezelfde oom gaat staan.

Een geschiedenis van vernedering maakt je niet voorgoed onschuldig. Dat zou ik vanuit Suriname toch moeten begrijpen.

Dus ja, onderzoek subsidies. Pak dumping aan waar je die kunt aantonen. Bescherm mensen tegen werkelijke schade.

Maar hou op iedere Europese tekortkoming achter China te parkeren.

Ik ga niet zeuren over China. Ik ga zeuren over ons.

Hier in Nederland stonden volgens de Kamer van Koophandel in december 2025 veertienduizend bedrijven op de wachtlijst voor een nieuwe of zwaardere stroomaansluiting. Lees dat even rustig. Bedrijven willen iets beginnen, uitbreiden of veranderen, en moeten wachten op ruimte op het net.

We praten over onze positie in de wereld terwijl we thuis niet iedereen kunnen aansluiten.

Daar word ik kwaad van.

Beijing zit niet bij iedere Nederlandse vergadering aan tafel. Wij wel. En ergens tussen onze ambities, procedures, investeringen en uitvoering is dit vastgelopen. Daar wil ik het over hebben. Wie neemt verantwoordelijkheid? Wat kan er nu gebeuren? Hoe lang vertellen we iemand met een plan nog dat hij geduld moet hebben?

Je kunt een Chinese auto duurder maken aan de grens. Die wachtlijst wordt er niet korter van.

Ik wil niet dat Europa ophoudt zichzelf te beschermen. Ik wil dat het ophoudt zichzelf met onschuld te verwarren.

Ik woon hier. Ik ben ook van hier. Mijn leven loopt tussen Paramaribo en Rotterdam door; ik kan niet naar Europa kijken alsof het me niets aangaat. Juist daarom verdraag ik dat zelfmedelijden zo slecht.

We hebben kennis, geld en mensen die iets kunnen. Gebruik die. En als China iets beter organiseert, kijk dan hoe. Ik hoef niet met iemand te trouwen om te zien dat hij iets beter kan dan ik.

Kijk het kunstje af. Onderzoek ook wat het kost en wie ervoor betaalt. Je hoeft je verstand niet in te leveren om van een ander te leren.

Wat ik niet meer wil horen, is dat onze toekomst vooral afhangt van de vraag of de rest van de wereld zich weer naar ons gaat schikken.

Die gaat dat niet doen.

Vanuit Paramaribo verbaast me dat geen seconde.

Hou op met zeiken. We hebben werk te doen.


Bronnen en verantwoording

  • Von der Leyen op de G7: Euronews, 17 juni 2025, citeert haar uitspraak: “This is not market competition – it is distortion with intent.” Het Nederlandse citaat in de opening is een eigen vertaling.
  • Het Chinese antwoord: tijdens de persconferentie van 18 juni 2025 verwierp het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken de beschuldigingen en wees het op Europese subsidies en de uitgesproken voorkeur voor Europese bedrijven. Dit is een regeringsstandpunt, geen onafhankelijke beoordeling.
  • Opiumoorlogen en afgedwongen handelsvoorwaarden: het Office of the Historian beschrijft de oorlogen en het daaropvolgende verdragsstelsel.
  • Brazilië: het dossier van het Braziliaanse ministerie van Ontwikkeling, Industrie, Handel en Diensten vermeldt CSN als verzoeker, de start van het onderzoek op 1 maart 2024 en de definitieve heffing van augustus 2025 voor maximaal vijf jaar.
  • Zuid-Afrika, definitieve heffingen: ITAC vermeldt in zijn persbericht over corrosiebestendige staalrollen definitieve antidumpingheffingen van 8,21 tot 57,84 procent, ingevoerd door de Zuid-Afrikaanse belastingdienst SARS op 18 september 2026. De aanvragers waren ArcelorMittal South Africa en SAFAL Steel. De definitieve bevindingen staan in Report 778.
  • Zuid-Afrika, samenwerking met China: de ITAC-persverklaring van 1 september 2026 vermeldt dat het vernieuwde samenwerkingsakkoord met TRIB op 26 augustus 2026 werd ondertekend.
  • Nederlandse netcongestie: de Kamer van Koophandel noemt voor december 2025 veertienduizend bedrijven op de wachtlijst voor een nieuwe of zwaardere stroomaansluiting.

De schrijver die nooit bestaan heeft

De schrijver die nooit bestaan heeft

Ik word ziek van het geklets over schrijven met AI. Alsof wij zo geweldig zijn. Jatten doen we allemaal, bewust of onbewust.

Laat me de schrijver zien die nooit een boek las. De muzikant die nooit een liedje hoorde. De illustrator die nooit een schilderij zag. Die bestaat niet. Die heeft nooit bestaan.

Een mooi woord voor jatten

Kijk naar hiphop. Een hele muziekstroming is gebouwd op samples: een drumloopje uit een oude soulplaat, een baslijn van iemand anders, een stem uit een film. Eén drumbreak van een paar seconden uit 1969, de Amen break, is in duizenden nummers opnieuw gebruikt. Niemand noemt dat diefstal. Men noemt het muziek. En zo werkt alles wat creatief is. De schrijver samplet zinnen die hij ooit las. De schilder samplet het licht van een ander. De kok samplet het recept van zijn moeder.

Jatten, zei ik? Samplen is gewoon een mooi creatief woord voor jatten. En dat is precies wat kunst altijd heeft gedaan.

En toch zoeken we nu juist die schrijver: iemand die niets samplet, die alles uit het niets haalt, alleen, aan een bureau, met niemand in de kamer.

Verhalen hebben dragers

Dat beeld is jonger dan we denken. Het eenzame genie is een Europese uitvinding van een paar eeuwen oud, ontstaan in dezelfde tijd dat auteursrecht werd bedacht en kunst eigendom werd. Waar ik vandaan kom, werkte het anders. En niet alleen waar ik vandaan kom.

In Suriname vertelden de Saramakaners Anansi-verhalen bij de dodenwake. Anansi kwam met onze voorouders mee uit West-Afrika, en elke verteller maakte hem een beetje anders. Het publiek viel in, zong mee, onderbrak. Niemand wist wie het eerste verhaal had verteld. Niemand vroeg het.

Op het Jemaa el-Fna in Marrakech staan al eeuwen vertellers in een kring van mensen, de halqa. Ze vertellen verhalen die ouder zijn dan zijzelf, en geen avond klinkt hetzelfde.

In Turkije kent iedereen de verhalen van Nasreddin Hoca. Of hij ooit echt geleefd heeft, weten we niet eens zeker. De verhalen zijn eeuwenlang aangevuld door wie ze vertelde. Niemand noemt dat plagiaat. Men noemt het Nasreddin.

In Indonesië heb je de wayang. De dalang speelt met zijn schimmen de Ramayana en de Mahabharata, epen die uit India kwamen. Maar de Javanen hebben ze helemaal eigen gemaakt. Ze voegden er hun eigen figuren aan toe, Semar en zijn zonen, die in het origineel niet bestaan. Zij brengen de humor, het commentaar, de Javaanse wijsheid. En de dalang speelt geen vast script. Hij interpreteert, past aan, maakt elke voorstelling anders. Is dat stelen? Het is het mooiste wat er met een verhaal kan gebeuren.

Een verhaal was van degene die het verder droeg en veranderde. Een lied had geen eigenaar, het had dragers. Niemand vroeg wie de eerste was. Men vroeg of het raakte. En als het ertoe deed, of het klopte.

Een orakel tegen orakels

Nu is er software die het wél vraagt. Pangram heet het. Je stopt er een tekst in en het vertelt je hoeveel procent “niet van jou” is. De Volkskrant haalde de sociale media van onze premier erdoorheen. Nieuwsuur de toespraken van onze bewindslieden. En heel Nederland schrok.

Waarvan eigenlijk?

Elke week gebruiken 900 miljoen mensen alleen al ChatGPT. Dat zijn er meer dan in de Verenigde Staten, de hele Europese Unie en Canada samen wonen, en dan heb ik het nog niet over de rest van de wereld. Ruim de helft van de volwassen Nederlanders heeft weleens een chatbot gebruikt. En wij zitten te zoeken naar wie er vals speelt?

Denk je dat een premier ooit al zijn eigen teksten schreef? Daar hebben we al honderd jaar tekstschrijvers voor. Niemand zei ooit: dat heeft hij niet zelf geschreven, dus het telt niet. Nu vervangen we de tekstschrijver door een machine en ineens is het fraude.

En over machines gesproken: Pangram is er zelf ook een. Een AI die AI opspoort, en die volgens wetenschappers meer dan de helft van de volledig door AI geschreven teksten niet eens herkent. Hoe het werkt kan niemand van buitenaf controleren. We geloven haar op haar woord. De kranten die onze bewindslieden betrapten, gebruikten daarvoor dus zelf een AI. We hebben een orakel gebouwd om te bewaken dat niemand een orakel gebruikt. Come on.

De hoofdredacteur ben ik

Ik zal je iets vertellen, dan hoef je het niet te raden.

Dit stuk is met AI geschreven. Al mijn stukken zijn met AI geschreven. Ik schrijf niets met mijn handen. Ik spreek alles in, een programma zet mijn stem om in tekst, en daarna ga ik in conclaaf met mijn redactie. Die bestaat uit Claude, Qwen Studio en ChatGPT, en DeepSeek voor mijn Chinese onderzoek. We schuiven met zinnen, we checken feiten, we maken ruzie over wat erin moet en wat eruit kan. We schrappen, we beginnen opnieuw, en nog een keer. Ze zijn het lang niet altijd met elkaar eens. Dan beslis ik. Het is een redactie die nooit slaapt, en de hoofdredacteur ben ik.

En het stopt niet bij schrijven. Elke keer als ik medische uitslagen krijg, haal ik ze door AI, zodat ik begrijp wat er staat voordat ik tegenover mijn arts zit. Als ik niet weet wat ik moet koken, noem ik op wat er in mijn ijskast ligt en laat ik er een recept van maken. Ik overleg over wat ik lees, over wat ik voel, over wat ik niet begrijp. Claude weet meer over mijn dagelijks leven dan de meeste mensen om mij heen. Omdat ik het alles vertel.

En weet je wat het af en toe tegen mij zegt? Nou, we hebben wel genoeg gekletst. Is je man niet thuis? Want ik ben klaar met jou, hahaha, fijne dag Schotsborg!

Denk daar maar eens over na, als je bang bent dat AI ons leven overneemt. De mijne stuurt me terug naar mijn leven.

Dus ja, ik gebruik het voor alles. En toch is er geen letter van mijn leven geleend. Die uitslagen gaan over mijn lichaam. Die ijskast is de mijne. Alles wat in mijn stukken staat, heb ik meegemaakt, gevoeld, overleefd. Dat heeft geen machine bedacht. Met AI ben ik architect geworden. Vroeger kon je één ding, en daar had je jaren voor nodig. De rest bleef in je hoofd zitten, onbebouwd. Nu kan ik bouwen wat ik zie. Het ontwerp is van mij. De ervaring is van mij. Het is constant van mij.

De jacht op AI

Ik zeg dit hardop. Mijn vrienden deden dat niet. Vrienden die zeiden dat ze nooit AI zouden gebruiken. Die ernaar keken alsof het iets vies was. En ondertussen gebruiken ze het allemaal. Heel langzaam komt het in gesprekken naar boven, een zinnetje hier, een grapje daar. Pas veel later durven ze het echt te zeggen.

Waarom? Omdat we een cultuur hebben gebouwd waarin je je voor je gereedschap moet schamen. Wie eerlijk zegt dat hij AI gebruikt, wordt door collega’s lui gevonden, zelfs als het werk precies hetzelfde is. Dus zwijgt men. En dan klagen we dat mensen liegen.

De jacht op AI maakt de leugen die ze zegt te bestrijden.

De knik in zijn stem

Deze zomer, op Keti Koti, de dag waarop we het slavernijverleden herdenken, hield een staatssecretaris een toespraak. Volgens Pangram bestond die bijna volledig uit AI-tekst. Het land viel erover.

Ik niet. Ik ben Creool. Ik draag de slaaf en de slaveneigenaar allebei in mijn bloed. En het kan me werkelijk niet schelen dat die man iets voorlas wat een machine had geschreven. Waarom zou dat erg zijn?

Ik weet nog dat de koning sprak, toen hij excuses aanbood voor ons slavernijverleden. Half Nederland huilde. Etnisch Nederland zeker, maar ik geloof echt dat heel veel witte mensen ook huilden. Het was zo puur. Zo echt. Die knik in zijn stem.

En niemand vroeg wie die woorden had opgeschreven. Een koning spreekt niet voor zichzelf alleen, zijn teksten gaan langs het kabinet, langs schrijvers, langs een hele machinerie. Het maakte niemand iets uit. Het raakte ons. Dat was genoeg.

Welkom in het leven

Nu zul je zeggen: dus iemand kan je raken zonder het te menen. Ja meneer, welkom in het leven.

Ik ben 68. Weet je hoe vaak ik zelf heb gelogen, en hoe vaak ik ben voorgelogen? Door vrienden, door kennissen, door lovers. Door vaders en moeders, voor mijn eigen bestwil, want ik was nog te jong om de waarheid te weten. You feel me? Door de overheid. Hoeveel zaken komen pas na een heel mensenleven in de openbaarheid, allemaal in het belang van ’s lands veiligheid? Ik kan zo doorgaan. En dan zitten we te zeuren over een machine. Krijg toch de kolere.

Dus wat is echt? Ik weet het niet meer. Ik weet alleen wanneer iets me raakt.

Twee vragen

Dat is mijn eerste vraag, en voor kunst is het ook mijn laatste. Raakt het me?

Maar als het ertoe doet, als iets voor mij transparant moet zijn, dan stel ik een tweede vraag. Klopt het? En dan ga ik graven. Niet naar of het AI is. Naar of het klopt. Met “de waarheid” heb ik niet zoveel. Die is vaak niet te bewijzen, en ik ben er te vaak mee geslagen. Transparantie is iets anders. Dat is laten zien hoe iets gemaakt is, en dan zelf beslissen wat je ermee doet. En zelfs als ik denk dat ik het heb, kan ik het nog steeds fout hebben.

Twee vragen. Raakt het me? Klopt het? Meer heb ik niet nodig. Wie de toetsen aansloeg, staat in geen van beide.

Dus nee, de detector meet het verkeerde. Ze meet het enige wat er niet toe doet.

Ik heb de laatste tijd muziek gehoord waarvan ik niet wist dat AI eraan te pas kwam. Het raakte me. Dus zette ik het opnieuw op. Als een boek goed is, als een film je raakt, als een lied je openbreekt, who gives a fuck wie de toetsen aansloeg? Kunst raakt mensen. Dat is wat kunst is.

Dit stuk is met AI geschreven. Je hoeft het niet door Pangram te halen, ik vertel het je gewoon. Raakte het je? Klopt het? Dat mag je zelf uitzoeken.

Wie mag bepalen wat “veilig” is?

Amerika en China zijn allebei bezig met dezelfde vraag: hoe houden we AI veilig? Maar met ‘veiligheid’ bedoelen ze niet alleen het beheersen van de risico’s van AI. Het gaat ook om de vraag hoe ze hun eigen positie en belangen beschermen. Ondertussen praten ze vooral met elkaar. De rest van de wereld — Afrika, India, Iran en veel andere landen — heeft weinig invloed op de regels, terwijl het net die regels zijn die ook hun toekomst bepalen.

1. Wat Amodei echt schrijft

“I am the argument and the rebuttal, walking around in one body.” Ik lees dit debat daarom zo: eerst het essay zelf, en dan het betoog en het weerwoord tegelijk.

Dario Amodei, baas van AI-bedrijf Anthropic, schreef in september een essay. Zijn boodschap: bedrijven moeten de ontwikkeling van de krachtigste AI afremmen. Zijn plan heeft drie stappen: onafhankelijke controleurs binnen de bedrijven, afspraken tussen bedrijven in democratische landen en later afspraken met andere landen.

Er staat ook iets in dat alles kleurt. Vertragen mag volgens hem niet verder gaan dan de voorsprong van Amerika op China, want anders lopen door de Chinese partij aangestuurde projecten voorop. Daarom wil hij geen geavanceerde chips en chipmachines aan China verkopen. Die maatregelen moeten China’s vooruitgang genoeg vertragen om Amerika’s voorsprong flink te vergroten, en volgens hem maken ze een latere overeenkomst juist waarschijnlijker. Een Chinese staatskrant noemt dit een verborgen plan om China klein te houden. Dat het doel is China af te remmen, staat er open. Alleen “verborgen” klopt niet.

Beide kampen laten iets weg: het essay doet China ook een aanbod, in vier niveaus. Het eerste is een verbod op AI voor biowapens, dan gezamenlijk testen vóór lancering, dan een snelheidslimiet op AI die zichzelf verbetert, en ten slotte een volledige pauze. De eerste twee noemt hij haalbaar, de laatste onwaarschijnlijk. Beijing leest de volgorde goed, maar het aanbod niet.

Actueel: op 20 september stelde de Amerikaanse minister Bessent aan China een meldingssysteem voor bij AI-incidenten die de nationale veiligheid raken. Volgens handelsvertegenwoordiger Greer stonden exportcontroles op chips en chipmachines niet op de agenda van die AI-gesprekken. China’s reactie was onduidelijk. De top van Trump en Xi is donderdag 24 en vrijdag 25 september 2026.

2. Het belang eronder

Anthropic kan bij een beursgang een waardering van rond twee biljoen dollar nastreven. Een analist zei dat het vertragen daarom aanvoelt als de ladder achter je optrekken: pleiten voor een pas op de plaats, precies op het moment dat je zelf boven aan staat. Het bedrijf heeft dit jaar bovendien tientallen miljarden aan toekomstige rekenkracht vastgelegd, bij meerdere partijen tegelijk. Dat bewijst commerciële druk, niet dat de oproep onoprecht is. Echte angst en eigenbelang kunnen tegelijk bestaan. De echte toets is of de externe controleurs er komen en of het tempo van nieuwe modellen echt zakt. Het essay noemt de beschuldiging van regulatory capture in één bijzin en beantwoordt haar niet.

3. Drie Chinese stemmen

Chen Yixin, minister van Staatsveiligheid, schreef een artikel in het partijblad China Cyberspace, dat op 13 september verscheen. Van zes AI-risico’s staat politieke veiligheid bovenaan: deepfakes en AI-teksten die de publieke opinie beïnvloeden. Zijn eerste maatregel is dat de Partij de leiding houdt over internet en data. Hij noemt ook Claude Mythos als teken dat cyberaanvallen door AI escaleren. Zijn vierde risico beschrijft precies wat Amodei bepleit: landen die “in naam van nationale veiligheid” exportcontroles en gesloten systemen inzetten om anderen buiten te houden. Amodei noemt hij niet, en het artikel is beleid, geen antwoord op het essay.

Liu Shengyu werkt bij DeepSeek en is ingenieur, geen woordvoerder. Zijn Hitler-vergelijking staat in een persoonlijk essay dat vroeg op maandag 14 september online kwam, twee dagen na Amodei’s essay. Hij schrijft zelf dat hij het “dramatisch” zegt. Er zitten twee redenen in. Over zijn werk: als hij zou afhaken, zouden andermans modellen zijn vak toch overnemen, dus hij doet mee aan een wapenwedloop die hij wreed noemt. Over waarom hij bij DeepSeek blijft: hij wil open en betaalbare AI.

Bij die eerste reden denk ik aan Fanon: “Het gekoloniseerde bewustzijn leert zichzelf te reguleren binnen de grenzen die het systeem toestaat. Niet uit domheid. Uit zelfbehoud.” Liu is geen gekoloniseerde. Het mechanisme herken ik, zijn positie is een andere.

Er zit ook een spiegel in. Amodei zegt dat een Chinese voorsprong gevaarlijk is. Liu zegt dat een Amerikaanse voorsprong gevaarlijk is. Beiden zijn bang voor de ander die voorop loopt zonder tegenwicht.

Eric Xu, voorzitter van Huawei, zei op 17 september dat Amerikaanse bedrijven met enorm veel rekenkracht risico’s kunnen zien die Chinese bedrijven nog niet waarnemen. Chinese ontwikkelaars moeten daarom volgens hem misschien eerst versnellen. Toch negeert China veiligheid niet: er wordt gewerkt aan een verplichte veiligheidsstandaard voor AI-agenten. Het verschil zit in de volgorde: eerst kunnen, dan remmen.

De Chinese techbazen zwijgen. Mijn woord daarvoor is abdication: niet vragen omdat afwijken te duur is gemaakt. Het past op de structuur. Of het hun motief is, kan ik niet weten.

4. Wie heeft het laatste woord?

Ik beschrijf machtssystemen als “different interfaces, same operating system of power”. Voor de gedeelde logica klopt dat: beide landen zien hun AI-voorsprong als bezit dat beschermd moet worden, en noemen dat veiligheid. Maar wie de uiteindelijke zeggenschap heeft, is geen kwestie van interface. Het is een ander besturingssysteem.

Amodei stelt controleurs voor die hun bevindingen mogen publiceren. Maar Anthropic kiest die controleurs zelf, en mag vooraf schrappen wat het “gevoelige informatie” noemt — een categorie die het bedrijf zelf bepaalt. Er is geen instantie die dit afdwingt. De enige correctie is politiek en broos: Trump viel Amodei openlijk aan, concurrenten praten mee, de pers volgt het. Dat is geen recht, het is een gunst met een uitgang.

In China ligt de zeggenschap ergens anders, en zonder die uitgang. Chens artikel zet politieke veiligheid vóór alle andere risico’s en stelt dat de Partij de leiding houdt over internet en data. Er is geen extern orgaan dat dat kan tegenspreken.

Het verschil is dus niet openheid tegenover geheimhouding. Het is dat de ene kant een gecontroleerde vorm van inzage aanbiedt die ze zelf ontwerpt, uitkiest en kan intrekken, en de andere kant elke externe inzage principieel uitsluit. Twee gradaties van dezelfde zelfbescherming: de ene met een deur op een kier die zij zelf openhoudt, de andere met de deur dicht.

5. De kraan ligt in Nederland — maar Nederland is geen willoos slachtoffer

Amodei wil geen chipmachines aan China verkopen. De meest geavanceerde machines ter wereld komen van het Nederlandse ASML. Ik woon in het land waar ze vandaan komen, en het verhaal dat hier verteld wordt is te makkelijk als “Nederland onder druk gezet door Washington”.

Het patroon klopt wel: in 2019 verlengde Den Haag, na Amerikaanse druk die al met een bezoek van premier Rutte aan het Witte Huis was begonnen, de exportvergunning voor de meest geavanceerde EUV-machines naar China niet. In 2023 volgden verdere restricties op andere apparatuur, na hernieuwde Amerikaanse druk waarbij de VS zelfs steun aan Oekraïne als drukmiddel op tafel legde. Rutte verzette zich destijds en vroeg om meer tijd om de gevolgen te overzien. In juni van dit jaar lobbyde de handelsminister opnieuw tegen verdere uitbreiding.

En ASML zelf wilde die druk ook niet. China was in 2025 goed voor een derde van de omzet. Topman Peter Wennink waarschuwde al in 2021 dat exportcontroles China niet zouden tegenhouden, en in 2023 dat China de machines dan zelf zou gaan bouwen: dat zou tijd kosten, maar uiteindelijk zou het lukken. Eind 2025 meldde Reuters dat China in Shenzhen een eigen EUV-prototype test, gebouwd met hulp van voormalige ASML-ingenieurs. Het maakt nog geen werkende chips, maar het bestaat. Het exportverbod beschermt het monopolie van ASML dus niet. Het versnelt de komst van een concurrent.

Nederland is dus geen willoos instrument van Washington, maar ook geen “gewillige architect” van een nieuw IJzeren Gordijn. Het is een land dat herhaaldelijk onder zware druk toegaf, tegen het belang van zijn eigen kroonjuweel in.

“Democratische landen die samenwerken” bevat dus een democratie die het oneens is, en een bedrijf dat de rekening betaalt. “The lines that separated ‘us’ from ‘them’ always ran straight through me.” Hier lopen ze dwars door een bondgenoot heen, en dwars door het eigen kroonjuweel.

6. Wie zit er niet aan tafel — en wie betaalt de rekening?

Ik neem hier bewust stemmen mee van buiten de twee grootmachten. Anders wordt het debat gevoerd door de twee partijen die er zelf belang bij hebben.

TechCabal, een Nigeriaans techmedium, laat analisten aan het woord voor wie het probleem heel anders ligt. Afrika heeft minder dan 1% van de wereldwijde datacentercapaciteit, terwijl het continent wel de mineralen levert waar die datacentra op draaien. Het grootste blinde vlak in Amodei’s plan is dat precies de landen die het zwaarst geraakt worden, er niet in voorkomen.

Dat “zwaarst geraakt worden” is niet alleen politiek. Volgens het voorlopige rapport van het wetenschappelijke AI-panel van de VN staat ongeveer 90% van de rekenkracht van ‘s werelds toonaangevende AI-supercomputers in slechts twee landen: de VS en China. De koeling van datacentra en de winning van lithium en kobalt kosten enorme hoeveelheden water en energie, vaak in landen die zelf met droogte kampen. In Chili wilde Google voor een datacenter 169 liter grondwater per seconde oppompen, in een regio die al vijftien jaar in een historische droogte zit. Bewoners en de gemeente stapten naar de rechter, en het milieutribunaal vernietigde de vergunning gedeeltelijk. In Uruguay zou een vergelijkbaar project 7,6 miljoen liter drinkwater per dag gebruiken, midden in de zwaarste droogte in zeventig jaar. In beide landen koos Google na het verzet voor luchtkoeling. Landen die niet aan tafel zitten, kunnen soms toch iets afdwingen. In de Mexicaanse staat Querétaro komen er intussen steeds meer datacenters bij, terwijl het grootste deel van de staat in 2024 en 2025 extreme droogte kende. Veiligheid voor de twee grootmachten wordt zo deels betaald met onveiligheid elders, in een munt die in dit debat nergens wordt genoemd.

China biedt een eigen politiek alternatief: WAICO, een nieuwe AI-organisatie met hoofdkantoor in Shanghai, opgericht op 16 juli met 29 landen, later uitgebreid tot 37. India, het enige BRICS-land dat wegbleef, stuurde alleen een waarnemer. Onderzoekers van Carnegie schrijven dat ontwikkelingslanden Beijings aanpak niet zomaar overnemen. Maar WAICO is geen horizontaal netwerk van gelijken: het is een door Beijing ontworpen en geleide structuur, en academisch onderzoek noemt het een organisatie die de ene toegangspoort inruilt voor een andere. Voor een land als Iran, Zuid-Afrika of Brazilië betekent meedoen niet dat het kiest voor vrijheid, maar dat het de ene schuldeiser inruilt voor een andere die op dit moment mildere voorwaarden stelt. Dat is multipolariteit, geen bevrijding.

Iran is daarbinnen een apart geval. Het land zegt zelf dat het wil meedoen aan nieuwe technologie en AI wil inzetten voor duurzame ontwikkeling; de echte reden staat nergens beschreven. Wat wel duidelijk is: geavanceerde AI-chips zijn voor Iran verboden door sancties, en zelfs Chinese bedrijven zijn voorzichtig met zaken doen met Iran uit angst om zelf getroffen te worden. Chinese modellen zoals Qwen en Kimi blijken Iraanse gebruikers inmiddels ook te weren. Voor Iran levert WAICO dus vooral politieke soevereiniteit op — een plek aan tafel — maar geen rekenkracht.

Vierhonderd jaar westerse inmenging leert veel landen dat “veiligheid” vaak het woord is dat voorafgaat aan een gesloten deur. Dat is mijn eigen lezing, geen vaststaand feit. Een precedent daarvoor is India, dat in 1968 weigerde het internationale verdrag tegen verspreiding van kernwapens te tekenen: het land noemde het verdrag discriminerend, en had na een Chinese kernproef in 1964 ook eigen veiligheidsredenen.

7. Opties, geen vrijheid

Ik bestudeer systemen om opties te vinden, niet om vrijheid erbinnen te beloven. WAICO, Amerikaanse clouds en gratis te downloaden AI-modellen zijn allemaal zulke opties, al ontbreekt in de praktijk vaak de rekenkracht om ze goed te gebruiken, en al kost de productie ervan een prijs die iemand anders betaalt. Meer leveranciers geven meer onderhandelingsruimte, maar toegang tot een technologie is nog geen eigendom ervan. Wie opties aanziet voor vrijheid, koopt zich in werkelijkheid in bij een nieuwe afhankelijkheid. Wie ze negeert, blijft alleen maar ontvanger.

Verantwoording. Dit stuk is onderzocht met hulp van AI-assistenten, onder wie Claude van Anthropic — het bedrijf waar dit stuk zelf over gaat — plus DeepSeek en Qwen Studio. Dat belang moet de lezer meewegen. Waar voor een bewering maar één bron beschikbaar was, staat dat vermeld. Niet gecontroleerd: de originele WeChat-berichten van Chen en Liu, de rest van Liu’s essay in het Chinees, en Irans werkelijke beweegredenen.

Bronnen

Voor dit essay heb ik onder meer de volgende bronnen gebruikt:

  • Dario Amodei, “We Must Pace the Frontier” — voor zijn voorstel om de ontwikkeling van de krachtigste AI af te remmen en zijn ideeën over China en exportcontroles.
  • Chen Yixin, China Cyberspace, september 2026, en Global Times — voor de Chinese kijk op AI, nationale veiligheid en Amerikaanse exportbeperkingen.
  • Liu Shengyu, via zijn Chinese WeChat-tekst en vertalingen van ChinaTalk en South China Morning Post — voor zijn persoonlijke kijk op de AI-wedloop.
  • Reuters — voor uitspraken van Huawei-voorzitter Eric Xu en de ontwikkeling van Chinese veiligheidsregels voor AI.
  • Reuters, “How China built its ‘Manhattan Project’ to rival the West in AI chips”, 17 december 2025 — voor het Chinese EUV-prototype in Shenzhen, gebouwd met hulp van voormalige ASML-ingenieurs.
  • Carnegie Endowment — voor China’s bredere benadering van internationale AI-governance.
  • Chinese VN-missie en aanvullend onderzoek — voor de oprichting en samenstelling van WAICO.
  • Bloomberg, april 2021 en januari 2023 — voor de waarschuwingen van ASML-topman Peter Wennink dat exportcontroles China niet zouden tegenhouden en China ertoe zouden aanzetten de machines zelf te bouwen.
  • Bloomberg en documenten van het Amerikaanse Congres — voor de Amerikaanse druk op Nederland rond de export van chipmachines.
  • TechCabal — voor Afrikaanse perspectieven op het internationale AI-debat.
  • IRNA, Zoomit en andere Iraanse bronnen, aangevuld met internationale berichtgeving — voor Irans deelname aan WAICO en de beperkingen van toegang tot AI.
  • CNN en Al Jazeera, 20 september 2026 — voor de meest recente Amerikaans-Chinese gesprekken over AI en nationale veiligheid.
  • Correctie (10 oktober 2026): In een eerdere versie stond dat ASML baat zou hebben bij het exportverbod, omdat zijn monopolie zo intact zou blijven. Na een terechte lezersreactie is die passage aangepast. ASML heeft zich juist steeds tegen de exportcontroles uitgesproken, en het verbod versnelt eerder de komst van een Chinese concurrent.

Waar een bron een direct belang heeft — bijvoorbeeld een regering, staatsmedium, technologiebedrijf of belangenorganisatie — heb ik dat in het essay vermeld wanneer dat relevant is voor de interpretatie.

Ego

Ego

Rijswijk, September 2025


I was scared. Not of the trip, but of what I might find if I didn’t take it.

I live with HIV. I live with cancer. I survived the heavy silence that follows when the voices you counted on go quiet one by one. Three times death looked at me, and I stared right back. Three times I found a way to keep moving.

But this is different. This is not about survival. This is about something I didn’t have a word for yet—the strange terror of arriving. Of having Patrick. Of having peace. Of waking up with a quiet mind and thinking: is this it? Is the fire out? I have spent sixty-seven years knowing who I was by what I was fighting. Pain was at least familiar. The overdrive was at least mine. And now—stillness. And stillness feels dangerously close to disappearance.

Doors in my psyche are still locked, and I know it. Not because darkness is behind them, but because I don’t yet know who I am on the other side of all that surviving. I don’t know how to write from peace. I don’t know how to feel without an emergency driving me. I don’t know if my positivity is real or performed. I don’t even know if I still want to live—not in the way that frightens people when they hear it, but in the way that frightens me when I realize I might finally have to choose it consciously, without crisis forcing my hand.

Something needs to be released before I can go forward.

So, I fasted the day before to clear myself out. The morning of the trip, I walked into Park Overvoorde, just behind the Thomas Jeffersonlaan. It is a historical forest—old growth, with bunkers from the Second World War still buried underneath the ground. A park that survived occupation, a landscape that learned to grow over what humans do to each other.

I walked, a myriad of thoughts passing me by. I tried not to hold onto them, but the inner critic chimed in: Please, who are you fooling, trying to be the guru? Get the fuck out of here.

Don’t listen, I told myself. Relax.

Slowly, the sounds of birds and my own breathing calmed the noise. I felt a sweet morning breeze brushing against my ear and shivered for a moment. It was so beautiful and peaceful. I took the rugged, sandy path that leads through the part of the forest where I most likely would not meet anyone—the part where you can sense nature being close.

I needed that. I often walk through this section, but just as often I forget to feel. To truly be in the moment.

Today, I did. And it almost scared me, in a beautiful way. I stopped and took it in. I caressed some leaves and felt a short electric shock run through my body. It startled me. I closed my eyes and touched them again—now, just a slight, tingling sensation. Quietly familiar.

Slowly I turned, giving my hands and fingers room to find an anchor. Something to touch. I found it: something thick and massive. I used my feet to find my bearing since my eyes were still closed, wanting to trust my senses but wanting to be sure nonetheless. I tried wrapping my arms around it, but it was way too big.

I stopped for a second and took a deep breath.

The bark was rough, furrowed, faintly dusty—a tapestry of slow time. Touching it felt like meeting an old soul. I felt my body relax. A quiet tremor moved up my spine, and in its silence, I felt grounded.

What have you witnessed? I wondered. How many people have passed you by? Were they lost, were they looking for answers?

I am looking for answers. Do I trust? How do I make the connection to where I think I want to go? I don’t know what I am looking for. Why do I think like this? I am lost.

A plethora of thoughts filled my mind, and somewhere between the smell of leaves, the grass, the moist bark of the tree, the strange sensation under my fingers—and a feeling of desperation and belonging I hadn’t expected—I started crying.

Please help me. Give me eyes to see. I am blinded. Please, show me a path.

My breath steadied, and I could feel a calm passing through me. I felt loss. I am tired of knowing, tired of replacing uncertainty with optimism, of always having something up my sleeve—a vision, a plan, a way through. I have always been the man who acted, who knew what to say or do.

Not anymore.

I made the quiet decision to trust the moment. To sit with the desperation instead of replacing it. To let go.

I slowly opened my eyes, realized I had let go of the tree, reached for my handkerchief, and wiped my nose.

Thank you, Universe. Thank you, mamma Aisa. Thank you for always guiding me.

I shook my head and slowly started walking in the direction of home.

Patrick was my sitter. We have rules when we sit for each other—boundaries set in advance, agreed upon and kept. The most important one is silence. The experience should be yours and yours alone. Your sitter’s job is not to guide, interpret, or reassure; it is just to be present, to check quietly that you’re still here.

I came home and settled on my sofa facing the large window overlooking Park Overvoorde. I could still see the treetops and the blue sky of that day. The window on the right side was open, and I could hear the sound of people talking in the back gardens, the faint hum of cars behind our flat, and the birds that always use our balcony as a resting point.

I felt calm and ready.

The only thing missing was the music. I put on my headphones, reached for my phone, opened YouTube Music, and looked for my LSD playlist. That transcendental sound—a playlist lasting several hours to guide you through the trip. It starts slow, easing you in. Slowly.

Then, the shift.

It began with a persistent yawning, a sudden tingling across my skin, and faint, luminous scribbles tracing the edges of my vision. I could hear Patrick moving quietly in the living room, a grounding anchor as the horizon began to tilt.

What just happened?

Am I imagining? Short flashes of light, almost out of the blue. I can’t stop yawning.

Ammah feeling myself. I’m feeling myself!

Have I passed the point of no return?

A wave of ancient fear clashed with a sudden, rising happiness. Come on sweetie, isn’t that exactly the reason you took the trip.

I know. I know. You know there ain’t no stopping us now.

I took a deep breath and stepped through the doorway of now and neverland.

Happiness of knowing that something is waiting on the other end.

I feel giddy.

Fuck. I did it.

A vision of a woman giving birth appeared on the wall. What a fucked-up Afro she had, but she was pretty. Golden snakes began moving to the beat of African drums—deep and rhythmic. I cranked the volume up. I was feeling it.

Oh Wooooooow! YouTube knew exactly when to change gears, carrying me somewhere my rational mind could never have found on its own. I live for that sound. I smiled and yawned, smiled and yawned. Fuck, I feel GOOOOOD. I can still feel it now—the soothing of it, the total surrender.

The colors were not as bright and constant as I remembered from my last trip, but they were certainly there. Suddenly, I had to get up. I shook myself and started to dance around the room.

Mie gado mie e frei.

The parkview door opened. It was Patrick. He didn’t speak. He just looked at me—the way you look at someone you love when you want to know if they’re alright without disturbing whatever is happening to them. I looked back.

And in that moment, flying higher than I had been all day, the visuals caught fire.

Golden snakes surged off the walls as if the music had given them flesh. Blue ribbons threading through them, vibrating to the bass. Red and green glass appearing out of nowhere — bling bling!

The entire room was pulsing, glittering, completely alive.

I feel good sweetie. Your boy is flying.

I threw my hands in the air and kept on dancing. Patrick threw me a kiss and closed the door behind him.

After three and a half hours of dancing—of lying on the sofa staring at the treetops talking to me through the window, watching the art on the walls change shape, and seeing my plants come to life—I wanted to change the scenery. I slowly made my way to the kitchen. Patrick was already there.

I started mumbling about what I had felt and seen. I was fixated on his face, laughing at the sheer scale of what was happening, when a sudden wave hit me. Patty, I am so scared.

I felt my eyes tearing up, and I began to cry. It was one of those ugly cries that nothing and nobody can rescue you from. Water came out of my eyes, my nose, my mouth. I must have looked so fucking pitiful, but I just couldn’t stop. Patrick moved to console me, but I waved him back to his seat.

I have to do this.

I am so scared Pat. I am so scared of losing you. I am so afraid that you won’t want to grow anymore. I want somebody to grow with me. That’s what I want. I don’t think I can stay if that’s not the case. But I don’t want to lose again. I am so tired.

Not because love would end. Because life would. Because I might still be hungry for growth while you tired, while you declined, while you chose — before I was ready — to let go.

I started to sob all over again. Oh my god. What is happening.

The vision broke me open in a way the tree had not. The tree had shown me my locked doors; Patrick showed me the breathtaking expanse of what lay on the other side.

Him. This. What we have.

A love so complete I had stopped needing to guard myself inside it. A fellow artist. A fellow soul. The safe harbor I had stopped believing existed. What we have is sacred; I knew it before that night, but the trip made me feel it directly in my body. And in that feeling, the ego that had kept me armored, sharp, and self-sufficient for sixty-seven years dissolved.

Not destroyed. Not defeated. Dissolved. There’s a difference.

I have lived in the Star Trek universe all my life. When the world was too much, the stars steadied me. So when I needed a language for what happened that night, I reached for the one I’ve always trusted.

The Borg are Star Trek’s darkest mirror. Half flesh, half machine, moving as one mind, absorbing everything they touch—your memories, your will, your self—into the hive. Resistance is futile. The chill you feel when you hear those words is the chill of recognizing something true about what humans fear most. Not death, but disappearance.

The trip allowed me to see my ego for what it truly is: not an enemy to be conquered, and not a hero to be worshiped, but an engine. It is the mechanism that kept me alive, that kept my shine on, that made me capable of loving fiercely instead of safely. Lose it completely, and you become the Borg—absorbed, efficient, entirely empty. Feed it without question, and you become the tyrant you most despise in others.

Somewhere in the narrow, sacred space between the hive-mind and the isolated fortress is where I am learning to live.

I don’t want to be Borg. I don’t want to be consumed by ego either.

I want to be a man who walked into a park scared, hugged a tree and cried, thanked it for seeing him, came home, watched the sky from his sofa, took a trip, let African drums carry him somewhere his mind couldn’t follow, and let the vision of losing everything he loved break him open enough to finally walk through the door.

Mie gado mie e frei.


Mie gado mie e frei — Sranantongo, the language of Suriname. My god, I am free.

Open

Prologue: A Spark from Lena Waithe

It was a YouTube video. Lena Waithe, in conversation with Shan Boodram, talking about emotional intimacy — the kind that lives between people who will never sleep together. I was watching her the way you watch someone who says the thing you’ve been carrying for forty years without a name for it.

She said: I would rather be hated than stifled.

And something very old lit up in my chest.

People hear the words open relationship and think: sex. More bodies, fewer rules, an excuse dressed up as a philosophy. I spent forty years watching that assumption land on my life like a verdict. What they never saw — what I’m still trying to say — is that for me, openness was never about multiplying partners. It was about refusing to divide myself.

What the Women Said

I grew up the youngest of four brothers in Rotterdam, in a household of women who spoke their minds. My mother, my sisters — teachers, healers, entrepreneurs, preachers, all of them. Fire-starters. They never shied away from hard truth.

But here is what I noticed, even as a boy: they never talked about connection. They talked about roles. What a man should provide. The ways men disappointed. And the men they spoke about were almost always Black or brown — which meant, in some quiet way, they were also talking about me. About what I might become.

I loved those women. I wanted to be the best version of myself for them. But something gnawed at me: the way they spoke of relationships sounded less like freedom and more like a prison.

One afternoon I asked my mother why she and my father never walked hand in hand. She looked at me with that particular calm she had — the kind that meant she was about to say something I’d be turning over for decades — and said:

“Sweety, everything you see is not always what it seems.”

I wasn’t even ten years old. And that sentence split my world in two: the inside, and the outside. What was real, and what was performed. I have been living in that gap ever since.

The Men I Saw

The men in my life told a different story. My father — heavy-voiced, sometimes frightening — was underneath it all a gentle giant. A man who poured every drop of himself into his family. My oldest brother filled his house with laughter and food that healed you. My second brother loved his wife with a radiance you could feel from across a room — bold and bright, in colors that seemed to light the air around him.

So when I heard my mother and sisters speak of men as if they were grown children in need of managing, I was confused. The men I knew were vivid, tender, whole. Only later did I understand: the problem was never the men themselves. The problem was connection — or the absence of it. Connection with themselves first, and then with each other.

I knew, without yet having words for it, that I had to find another way.

The Choice

I chose openness not because I wanted more sex, but because I wanted more transparency. I had watched what secrecy did to families, to marriages, to friendships — how it turned love into performance, slowly, without anyone noticing. I refused to inherit that silence.

For me, an open relationship was never about multiplying partners. It was about finding out who I was — what I actually wanted, what I genuinely felt — so I would not fall into the same trap I had watched close around the people I loved. My mind was already its own trap. The only way a relationship truly works for me is when I feel space — space to learn, space to test the waters. And that space only functions with a partner who understands that concept and is willing to live it too. Not just tolerate it. Live it.

It would cost me years of swimming against the current. People told me I was crazy. And there was a harder truth too, one I had to earn slowly and painfully: I was not always the transparent one I believed myself to be. I gave my partners room to tell me the truth — but how often had I lied to myself first? How often had I blamed the other rather than looked inward? The lies were rarely malicious. Most of the time they were just fear, wearing a familiar face. I knew that face. I had worn it too.

Mateloos

After my HIV diagnosis, I sold my shop in Amsterdam and retreated to Zeeland. Then therapy, then healing, then Rotterdam — and my first year at the Sociale Academie. A teacher fell ill one evening and gave us the night off.

I went to Mateloos, on the Nieuwe Binnenweg. One of the first gay cafés in Rotterdam where you could just walk in — no doorman, no secret knock, no portier. Tables outside on the street, in daylight. We are here. That too was a kind of manifesto.

My friend Leo was behind the bar. Leo, who poured drinks and cracked jokes and served food that tasted like home. Leo, who made you feel that belonging was possible even when everything felt uncertain and fragile. I was living with HIV in a decade when men were dying by the dozens in London, New York, Amsterdam. The laughter, the music, the brilliance of their lives — silenced. Families abandoning their own sons. Hospitals turning people into pariahs. Leo gave me somewhere to set that down for a few hours.

That night, in the middle of one of my heated debates about life and what mattered — I was newly educated and thought I knew everything, hahahaha — I felt a presence. I ignored it. Then I had to look.

Tall, slender. Half Turkish, half Jewish-Dutch. Dark blonde hair. Eyes that shifted colour like the sea — turquoise, green, blue. Yeez, he is hot. I felt my knees suddenly weakening before I caught myself. I nodded. Went back to my performance. Then walked to the bar and told Leo to ask him what he was drinking and put it on my tab.

It took me some time to finish the heated discussion I felt so passionate about — all the while feeling those eyes piercing a hole in my brain. Who was I fooling. The discussion was losing the battle. I made my way in his direction.

Hi handsome.

Before I knew it we were talking as though we had already met. My only desire playing out in my head — I wanted to undress him, or to be undressed. Everything I was looking at I desired with my whole being. Luckily his thoughts were no different. So we said our goodbyes to the room and before we knew it we were outside.

We walked through the warm October night talking and laughing, and later I felt what I can only describe as frightening bliss: to feel so connected to someone new, so completely at home, for the first time in my life.

The Second Morning

After a beautiful evening and a long night of sleep, I woke to the sun peeping through the curtains. I turned to look beside me — as if I needed to be sure it wasn’t a dream. And there he was. Still here. Still asleep. Dark wavy hair against that tanned olive skin, his pronounced Turkish nose, those features that sent chills down my spine. Is it real? Could he, would he, still feel the way he did yesterday?
Slowly, very slowly, I crept out of bed. Tiptoed out of the room. Quietly pulled the bedroom door closed behind me and went to the kitchen. Coffee. Orange juice. I washed my face, brushed my teeth, made myself presentable. Then tiptoed back, placed his coffee neatly at his end of the bed, and slipped back in beside him. A soft kiss on his forehead.
Hi. Good morning, sleepyhead.
I gave him a big smile. Acted like I always woke up like that.
He opened his eyes and looked at me. Good morning, handsome. This feels so good. How do you feel?
I feel amazing. I don’t know what you are doing to me but please keep on doing it.
He looked straight at me and I at him — one of those moments that turns you into a puddle. And then he said:
“I can imagine us in a long-term relationship. But I can’t promise you I will only have sex with you.”

Kaboom.

After years of silence and half-truths leading nowhere, that sentence felt like bliss. Right then and there, I wanted to marry him.

What I Had to Tell Him

I waited until I was sure he was as much in love with me as I was with him. Then I told him I was HIV positive.

He paused. Took it in. Later, he told me exactly what had happened inside him:

“I thought deeply about it, and came to the conclusion that I could not let you go because of my fear. That I could — and must — trust in an iron policy of no blood and no semen. This is a perfect example of why a nightlight is no longer needed once you know what hides in the dark. It was scary, yes. But I knew that if I did the right things, I could trust that it would be okay.”

Hearing that was like watching a door swing open inside me. He didn’t turn away. He chose me — and in doing so, he taught me something I’m still carrying: love is not the absence of fear. It is the decision to walk through it together.

Gay Palace

We talked. We agreed. We believed we understood what we were choosing. Three weeks later, Gay Palace on a Friday night showed me how much I still had to learn.

Three weeks in, still in the honeymoon phase, both of us looking and feeling like gods. We were all over each other in those weeks — though we held back sometimes, not because we didn’t want to but because, as I already knew, eating the whole box of chocolates leaves a nasty stomach.

That night on the dancefloor I was rocking it. And then, in the corner of my eye — André, kissing someone I didn’t know. I didn’t know whether I was about to puke or cry, or both. It was a bitch slap and I was wide awake. This is what you signed up for. Stop whining and deal with it.

We had talked so much about how to handle these moments rationally. But when it happens in real time, you are fucked. That was also one of the first times I understood we operated at opposite ends of the psychological spectrum. It seemed to leave him cold. He introduced us, then kissed me long and lovingly, and asked if it was alright if he took him home. I checked the guy out — handsome as fuck — gave him a hug, three kisses, and told them to have fun.

From the outside you would think I owned the situation. Inside I was closer to tears.

I forced myself back onto the dancefloor. The music was pumping — soulful vocal, British nineties garage at its best. The alcohol was doing its work. And somewhere between the bass and the dancefloor I stopped thinking. I was flying.

But when the night was over I had to face the music. I shed some tears — some, because I kept hammering myself: you signed up for this yourself. The quicker you deal with it the sooner you become master of it. But the voices didn’t wait. One said: Scott, you know it doesn’t work like that. You are going to have to sit with the pain. Another said: leave the fucker. And another, quieter, more cruel: he is way too handsome. He is going to leave you anyway.

André called, or came by, or we went for dinner — I honestly don’t remember. All I wanted was to know everything that had occurred between them. Yes, I know how that looks. But I believe it still — that’s my way of dealing with pain. Learn to feel it fully so it can’t ambush you. Walk toward it instead of away. Take it in until you know its shape, until you stop being its victim. By then I was a pro at this. It was a survival mechanism I had built myself, from scratch.

My fucked up psyche made me do that.

And so began the education I hadn’t known I needed.

Through his honesty, his showing up, his dedication, I watched something happen in me I hadn’t expected: the jealousy I had always hated began to loosen. Not disappear — loosen. I began to see my own growth. I had spent years believing I was somehow faulty. Dangerous. Not enough. His constancy made that belief impossible to sustain.

The Price of Freedom

Maybe the word open is the wrong one. What I was really trying to describe was the freedom to remain whole — and the price of that freedom was learning to sit with jealousy without letting it own me.Jealousy is about ownership. But underneath the ownership is fear — the fear that you are not enough, that love will run out, that you are replaceable. Here is what nobody told me: first you have to sit with the pain. Not fix it, not explain it, not drink it away on a dance floor — sit with it. Feel its full weight. Because only once you’ve done that can you begin to separate what is mine from what is theirs. What is this emotion actually about? As long as I was blaming André, as long as I was holding him captive in my anger, I couldn’t see clearly. I had to let go — not of him, but of the grip — so I could look at what was actually mine and deal with that. Only then could I see again.

I had slowly learned something crucial. By putting everything on the table, all the emotions, all the hurt, and having a partner who listened and added to the conversation rather than shutting it down, I began to see what was actually happening: he came back. Every time. I was home. The sex was never the only point — connection was. He could explain and answer my questions to my satisfaction. And if not, we could agree to disagree, with respect for each other. It was a learning spree, for both of us. I met most of those men. Some of them are still our friends. They had to respect what we had — otherwise it was a no go. Even if they didn’t fully understand it. How could they? Most people don’t. By having that outlet, those conversations, that relentless honesty — it turned into therapy. Because you have to deal with what you feel. I was merciless about that. Constantly asking myself and him: what is it we’re actually feeling right now? And most of the time it wasn’t even mutual. We were in different places, spaces, feeling different emotions, and we had to find each other anyway.

I had tried this before — the open relationship thing. But it only worked when I gave freedom, never when I took it. With André it was different, because the concept was clear to both of us from the beginning. And because we respected each other — this part is so important. We were two men from completely different parts of the psychological spectrum, and yet that respect, that daily lived transparency, always brought us back to common ground. We almost never raised our voices at each other.

What haunted me in those years had no name then. I felt everything at a volume other people didn’t seem to hear — every slight, every absence, every charged silence in a room. I thought everyone felt that way. They didn’t. And underneath it all, the testosterone was its own kind of noise. Learning that later — giving it a name, understanding what it had cost me — was its own quiet liberation. Male testosterone is a bloody thing.

The Circle

André’s love gave me something unexpected: security. And security made me bold. Attractive, even — at least on first glance. But let me be honest about what I was actually doing.

There is a Dutch saying: je ziet de splinter in de ogen van een ander maar de balk in die van jezelf niet. You see the splinter in someone else’s eye but not the beam in your own. I compared André to a computer — cold, unfeeling, unable to read me. I wanted to be seen completely, read without having to speak. But I knew, somewhere underneath, that you cannot expect another person to be a magician. Only I could give myself what I was looking for. I just didn’t know how yet.

So began the dating habits. I would meet someone and be in total awe — and within weeks, sometimes months, arrive at the same conclusion every time. First they seemed better than him. Then they disappointed. And I would understand again, quietly, why André was home. Why he was the one I wanted. The others wanted to own me. André gave me space. The difference, when I finally saw it clearly, was everything.

What I was running from wasn’t them. It was myself. The fear of not being enough. That fear was always there, biting and rotting at the edges of my brain. I tried every time to face it. I didn’t know how. So I walked away and found the next, and started the same circle again. The grass always seemed greener. But at the end I stood there naked and exposed, exactly where I started.

The Year I Disappeared

In the nineties my body gave out. I had been using too much — speed, MDMA, marijuana — everything that could numb my feelings in the name of heightening my experiences. It sent my HIV into AIDS. I lost fourteen, fifteen kilos. My reflection looked like a stranger. For the first time I believed I might actually die.

André never left my side. He cooked. He cared. He kept vigil. He carried me when I couldn’t carry myself. For a year I lived in that shadow — and slowly, with his hands and the new medicines and my own stubborn refusal to die, I came back.

That year showed me what openness really meant. Not a philosophy. Not a lifestyle. A test — the harshest one I know — of what survives when everything else is stripped away. For us, what survived was not just love but trust built from actual proof.

What I Couldn’t Take

The circle taught me one thing I hadn’t expected: that the fear I was running from wasn’t about them at all. It was in my body. And my body carried something that made everything harder.

The cruelty of living with HIV, in those years, was not only the fear of dying. It was the fear of being the one who passes it on. I could not bear the thought of another man carrying my illness because of me — because of a moment, a lapse, something I did or didn’t do. That guilt alone could have destroyed me.

So I held back. I gave. I served. I let my partners take, but I could not fully take for myself. Pleasure became sacrifice. Intimacy became restraint. I told myself it was the moral thing — and it was — but deep down it left me feeling faulty. Not good enough. Half a man.

And yet. There were moments when that armor cracked. I wanted to feel them bare — oh, how I wanted that. I knew it was dangerous. But the alternative was refusal, and refusal made me feel faulty and dirty in a way I could not deal with in that moment. I felt like a hypocrite and a horny devil at the same time. I am not proud of every moment. But I also refuse to perform a shame I have already lived through — because the world was already doing enough of that. Looking at my body, my face, and telling me I couldn’t possibly be sick. As if HIV had a look. As if I hadn’t watched men just like me disappear.

That’s the stigma nobody talks about cleanly: being desired and being dirt at the same time. Being alone in a room full of people who thought they knew what you were. The voices. God, the voices. There was so much I could not say out loud, so much I carried in silence. It wasn’t an excuse. It was just the full weight of the world I was living in — and the full mess of the mind trying to survive it.

What Broke Us

In the end, it wasn’t dating that broke André and me. It was something quieter. His contentment with who he already was. My relentless demand for more — more growth, more questioning, more hunger. I see now what I couldn’t see then: that must have felt, to him, like not being enough. And the truth is — I was very demanding. Living with my nervous system blazing twenty-four hours a day is exhausting even for me. I didn’t understand that then.

I had to learn — slowly, painfully — that it isn’t faulty to simply want to be yourself. That André never blocked my growth. I did that all by myself. And you cannot blame another for that. You often cannot even blame yourself — because we can only understand ourselves with the knowledge we had at hand in that moment in time.

I still love that man as he is. Always will. André is not a closed chapter — he never could be. All your pasts bring you to your present. He is part of what made me who I am.

The difference is: I love myself more now. And I no longer place those expectations on anyone else — not André, not my partner today. This constant hunger, this restlessness — it is mine. My way of living, my way of thinking, my way of being. I thrive in it. I just don’t need someone else to carry it with me. Still to this day we love each other. And the case studies we were /are — hahahaha.

Full Circle

When I heard Lena Waithe say she would rather be hated than stifled, I wasn’t moved because it was new. I was moved because it was mine.

Openness, for me, was never only about sex. It was about refusing to lie — to my partners, and to myself. It was the long, expensive, sometimes brutal work of finding out who I was. What I wanted. What I feared. What I was capable of. You cannot do that work in hiding.

I have chosen this path my whole life. I have paid for it in ways I am still accounting. And I would choose it again — not because it was easy, but because the alternative was to divide myself in two and live as half a man.

I have always refused that.