De stof die onthoudt

Yampanesi krosi

In het depot van het Wereldmuseum liggen Surinaamse hoofddoeken die ik nooit in het echt heb gezien. Toch ken ik ze. Iedereen die is opgegroeid tussen tantes met gesteven angisa’s kent ze.

Eén is rood, uit 1963. Twee keer het wapen van Suriname erop. 1 juli 1863, 1 juli 1963. In de hoeken zwarte handen, de kettingen gebroken, en de woorden Keti Koti. Honderd jaar afschaffing van slavernij, op katoen gedrukt, op een hoofd gezet. Ik was vijf dat jaar en woonde nog in Paramaribo. Misschien heb ik hem gezien, op het hoofd van een vrouw die zich over mij heen boog. Ik weet het niet. Ik doe alsof.

Een paar beschrijvingen verder ligt een andere angisa, gevouwen in het model dat ‘Let them talk, Laat ze praten’ heet. En dan staat er, bijna achteloos, één zin bij: het patroon is gebaseerd op Javaanse batik. Yampanesi.

Ik moest lachen. Natuurlijk. Een Creoolse vrouw die zegt: let them talk, laat ze maar praten. En ze zegt het met een Javaans patroon op haar hoofd. Niemand in Paramaribo vond dat vreemd. Niemand vond het zelfs het benoemen waard. Het was gewoon een mooie doek.

Maar hoe komt een Javaans patroon op een Creools hoofd? Daarvoor moet ik terug. Niet ver. Een paar schepen.


Begin bij de mannen.

Tussen 1831 en 1872 haalde Nederland ruim drieduizend West-Afrikanen van de Goudkust, het huidige Ghana. De meesten waren Akan. Ze werden soldaat in het Indische leger, dat later KNIL zou heten, op Java en Sumatra. De Indonesiërs gaven ze een naam die bleef hangen: Belanda Hitam. Zwarte Hollanders.

Een deel ging terug naar Elmina. Met pensioen, met verhalen, en volgens de overlevering met kisten Javaanse batik. Historici zijn voorzichtig; fysiek bewijs ontbreekt. Maar ik houd het beeld vast.

Want kijk wie dat waren. Volgens het museum vormden de Ashanti, een Akanvolk, in de achttiende eeuw een groot deel van de tot slaaf gemaakten in Suriname. Van hen zou ook de gewoonte komen om met een geknoopte hoofddoek boodschappen door te geven. Dezelfde etniciteit, gesplitst door twee koloniale trajecten. Eerst naar het westen gebracht, in ketens, met hun geheimtaal van geknoopte stof. Een eeuw later naar het oosten, in uniform. En terug naar huis met Javaanse stof.

Of die soldaat wist dat mensen van zijn eigen volk in Suriname al generaties lang met knopen spraken, weten we niet. Waarschijnlijk wist hij het zelf niet. Maar de doeken wisten het. Doeken onthouden wat mensen moeten vergeten om verder te kunnen.


Dan de fabriek.

Rond 1850 kregen Nederlandse textielfabrikanten, zoals Prévinaire en Fentener van Vlissingen, Javaanse batik in handen. Ze bouwden machines die de was-resist-techniek nadeden met hars. Het plan was eenvoudig: goedkope imitatie maken en die terugverkopen aan Java.

Java bedankte. De nep rook niet naar was. Er zat geen hand in. Bovendien maakten Javanen met stempels zelf echte batik, goedkoper dan ooit. Daar kon Helmond niet tegenop.

Dus voeren de schepen vanaf de jaren 1880 de andere kant op, naar de West-Afrikaanse havens. En daar gebeurde wat in Helmond niemand had bedacht. De barstjes in de verf werden geen fout, maar karakter. Marktvrouwen in Accra en Lomé grepen de kans. Ze gaven de patronen namen, spreekwoorden, roddels. Een kopie die op Java mislukte, werd in West-Afrika een taal.


En dan 1890. Een jaar waarin twee dingen gebeurden die niets van elkaar wisten.

In Pekalongan, aan de noordkust van Java, opende Eliza van Zuylen haar batikatelier. Zij was de dochter van een Nederlandse soldaat en een Indo-Europese vrouw. Een Indo, dus. Ze tekende Hollandse bloemen en Europese sprookjes, en Javaanse vrouwen zetten die met hete was op katoen. Was het goed, dan kwam haar handtekening erop. In Indonesië heet dat batik Belanda. Hollandse batik. En Indonesische schrijvers zeggen er nuchter bij: dat is gewoon Indonesische batik. Allebei waar.

Op 9 augustus 1890 legde in Paramaribo een schip aan met vierennegentig Javanen. De eersten. Gelokt met beloftes die Anton de Kom later leugens zou noemen. Er zouden er bijna drieëndertigduizend volgen. De meesten bleven.

Zo kwam Java voor de tweede keer naar Suriname. Niet als patroon op een fabriekslap, maar in mensen. In het Sranang heten ze Yampanesi. De stof ook: Yampanesi krosi.


Patrick is Indo. Ik ben Creool. Hij ontstond in het oude Indië, uit onder meer Holland en Indonesië. Ik ontstond in de Cariben en Zuid-Amerika, uit onder meer Holland en Afrika. Ik ben de erfgenaam van de eigenaar én van het eigendom. Hij ook, op zijn manier. Hij: te Nederlands voor Indonesië, te Indonesisch voor Nederland. Ik: te Hollands voor Paramaribo, te zwart voor de grachtengordel.

.

Zijn ouders kwamen eind jaren vijftig uit het oude Indië, en niet omdat ze dat wilden. De Bersiap had het land al voor hen gesloten: die bloedige maanden na de Japanse capitulatie, toen een Hollandse naam of een half Hollands gezicht genoeg was om niet meer veilig te zijn. En op 5 december 1957, uitgerekend de avond van Sinterklaas, liet Soekarno de Nederlanders in Indonesië weten dat ze moesten vertrekken. Indische mensen noemen die dag Zwarte Sinterklaas. Geen cadeautjes uitpakken. Koffers inpakken.

Ik vraag me af wat zijn moeder in die koffer stopte. Een kain? Een sarong uit een atelier aan de noordkust? Iets wat nog naar was rook?

Patrick werd hier geboren, in 1962. Hij hoefde nergens aan te spoelen; zijn ouders hadden dat al voor hem gedaan. Ik kwam in 1966, acht jaar oud, uit Paramaribo overgevlogen. Hij was toen vier. Twee kinderen van hetzelfde rijk in hetzelfde koude kikker land, de één was er al, de ander net binnen. Niemand had ons gevraagd. Niemand had ons voor elkaar bedoeld.

In die tijd hadden we allebei hetzelfde Nederlandse paspoort: een zwart boekje dat bekendstond als het zwarte vod, omdat het zo makkelijk na te maken was. Nu is het bordeauxrood, de kleur van een ander rijk: het Europese. Zet ons naast elkaar en je ziet twee mannen uit hetzelfde oude rijk, die elkaar in dat rijk nooit hadden hoeven ontmoeten. Het rijk had ons in verschillende laatjes gestopt. Het kende de routes. De schepen, de contracten, de inventarislijsten.

Wat het niet kende, was de stof.

Want de stof ging gewoon haar eigen gang. Van Java naar Helmond naar Elmina. Via de herinnering van de Akan naar de hoofden van vrouwen in Paramaribo. Van Pekalongan naar de plantages van Commewijne. Overal kwam ze aan als iets van een ander. En overal werd ze van iemand.

Ik denk dat Patrick en ik ook zo zijn aangekomen. Als iets van een ander. En dat we ergens onderweg van elkaar zijn geworden.

Dit is geen aanklacht tegen ons koloniale verleden. Die is al door velen geschreven, en ja, hij klopt. Dit is een ander verhaal.

Het begint met een hoofddoek die ik nooit heb gezien. En met een man naast me op de bank, die ik wél zie.

Noot

De angisa’s uit dit verhaal bevinden zich in de collectie van het Wereldmuseum. Over de Belanda Hitam en de rol van West-Afrikaanse marktvrouwen bij Dutch wax schreven onder anderen Naa 1Densua Tordzro en onderzoekers van de University of Education Winneba, Ghana. Over batik Belanda en Eliza van Zuylen schreef onder meer Tirto.id. De cijfers over de Javaanse migratie naar Suriname komen van het Nationaal Archief.

Angisa — een gesteven, kunstig gevouwen hoofddoek, onderdeel van de traditionele Afro-Surinaamse klederdracht (de koto). De manier van vouwen, het patroon van de stof en soms de naam van de doek dragen een boodschap: een stemming, een gelegenheid, een mening die je niet hardop zegt. Zo werd de angisa een taal zonder woorden. Je ziet hem nu vooral bij feestelijke gelegenheden en bij Keti Koti, de herdenking van de afschaffing van de slavernij op 1 juli.2

“Over het ‘zwarte vod’ en de paspoortaffaire: Parlement.com, Parlementaire enquête Paspoortproject (1988).”3

  1. ↩︎
  2. ↩︎
  3. ↩︎


Ontdek meer van Circle Of Life

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie