Tagarchief: Anton de Kom

Met elkaar, niet naast elkaar

Oct 23, 2026 · @Jules Herman Samuel Schotsborg

Fotografie © Patrick Wouters

Aan de Keizerstraat in Paramaribo staan een moskee en een synagoge vreedzaam zij aan zij. Toeristen fotograferen de gevels als het ultieme bewijs van een tolerante samenleving, onze geroemde bromki dyari. Dat ís het ook, maar wie er opgroeide, weet dat harmonieus naast elkaar leven iets wezenlijk anders is dan werkelijk met elkaar leven. In het Paramaribo van de vroege jaren zestig zagen we elkaar dagelijks op het schoolplein, op de markt en bij de eetkraampjes waar de geur van saoto, roti en tjauw min ons samenbracht. Het Nederlands en het Sranantongo overbrugden de afstanden, maar zodra de schoolbel ging of de avond viel, trok iedereen zich terug in zijn eigen vertrouwde enclave en sprak men binnenskamers weer de eigen taal. We deelden de openbare ruimte met respect, maar kenden elkaars huiskamers nauwelijks.

Ik was acht toen ik de oversteek naar Rotterdam maakte. In mijn kinderlijke onschuld dacht ik dat ik dat patroon van gescheiden werelden achter me liet. Zestig jaar later zie ik precies dezelfde dynamiek overal om me heen: keurige tolerantie en parallelle levens, midden in het land waar ik mijn bestaan heb opgebouwd.

We zijn met miljoenen

Ruim vijf miljoen mensen in Nederland hebben een herkomst buiten dit land. Alleen al de Nederlanders met wortels in Turkije, Marokko, Suriname, Indonesië en het Caribisch deel van het Koninkrijk vormen samen bijna twee miljoen mensen. Daarbij komen tienduizenden met wortels in Ghana, Somalië, Eritrea, Kaapverdië en Nigeria. En dat zijn nog lage cijfers, want het CBS telt alleen de eerste en tweede generatie. De derde generatie verdwijnt uit de statistiek, maar niet uit het zicht van wie selecteert, controleert en afwijst.

Toch gedragen we ons maatschappelijk opvallend vaak alsof we allemaal kleine minderheden zijn. Een Surinaamse gemeenschap hier, een Turkse organisatie daar. Een Marokkaanse belangenvereniging, een Afro-Nederlandse beweging, een Indische stichting, een Caribisch platform. Allemaal met hun eigen geschiedenis, hun eigen pijn, hun eigen herdenkingen.

Daar is op zichzelf niets mis mee. Een gemeenschap heeft een binnenkant nodig. Taal, eten, muziek, religie en familiegeschiedenis vormen een vangnet. Sociologen noemen dat bonding: de verbinding binnen de eigen groep. Onderzoek van de historici Rinus Penninx en Marlou Schrover liet zelfs zien dat eigen organisaties migranten niet tegenhielden om mee te doen in Nederland. Daar leerden mensen vergaderen, stemmen en onderhandelen.

Maar er bestaat nog een tweede vorm van verbinding: bridging. De brug naar de ander. En juist daar laten we geweldig veel liggen.

Bij arbeidsmarktdiscriminatie komen we elkaar tegen. Bij ongelijke kansen in het onderwijs komen we elkaar tegen. Bij wonen, armoede, politieoptreden, beeldvorming en de manier waarop geschiedenis wordt onderwezen komen we elkaar opnieuw tegen. En daarna keren we terug naar ons eigen huis. Ondertussen richten we onze afzonderlijke vragen aan dezelfde instituties.

Zo spreken we vanuit zwakte, vanuit ons eigen groepje, terwijl we vanuit kracht zouden kunnen spreken.

Mengen, maar niet combineren

Dit is geen toeval. Het patroon heeft een naam, en die naam komt deels uit onze eigen geschiedenis. De Britse koloniale bestuurder J.S. Furnivall beschreef wat hij de plural society noemde. Hij baseerde zich op Birma en op Nederlands-Indië. Hij beschreef een samenleving waarin groepen elkaar wel ontmoeten op de markt en op het werk, maar daarbuiten nauwelijks werkelijk verbonden raken: mengen, maar niet combineren.

Dat patroon herken ik ook in Suriname, en ik ben niet de eerste. De in Paramaribo geboren socioloog Rudolf van Lier paste Furnivalls idee in 1949 al toe op zijn eigen land, in Samenleving in een grensgebied. Hij noemde Suriname een van de duidelijkste voorbeelden van een meervoudige maatschappij. Een recensent wees er toen al op dat de groepen niet alleen naast, maar deels ook boven elkaar stonden, in een samenleving waarin een lichte huid hoog werd gewaardeerd.

Na 1863 kwamen Hindostaanse, Javaanse en Chinese contractarbeiders naast Creolen en Marrons te staan. Iedere groep kreeg zijn plaats, zijn economische rol en zijn vooroordelen over de ander. Zo’n samenleving hoeft uiteindelijk niet voortdurend van bovenaf verdeeld te worden. De verdeling wordt onderdeel van het dagelijks leven.

We zoeken graag naar schurken in rokerige kamers, maar macht is veel luier dan dat. Het hoeft ons niet actief uit elkaar te drijven. Een verdeelmechanisme is pas écht geslaagd als wij de regels hebben geïnternaliseerd en de tralies van onze eigen kooi poetsen.

Kijk hoe Nederland ons heeft leren indelen. Allochtoon, vroeger. Niet-westers. Persoon met een migratieachtergrond. Nu weer een nieuwe indeling naar herkomstland. De woorden veranderen voortdurend. De vakjes veel minder.

Discriminatie vereist meetbaarheid, maar beleidscijfers zijn een wapen met twee sneden. Door elke minderheid een eigen dossier en een eigen loket te geven, organiseren we onze eigen verdeeldheid. Aan de subsidietafel worden bondgenoten opeens rivalen die vechten om de kruimels van de macht. Zo herrijst de verzuiling in een nieuw jasje, gecodeerd op etniciteit. We staren ons blind op onze eigen kolom en vergeten dat we vechten tegen dezelfde bureaucratische muren.

Eén machine, losse gevechten

De toeslagenaffaire laat zien wat die versnippering kan betekenen. Tienduizenden ouders werden door dezelfde Belastingdienst vermalen. Een tweede nationaliteit was al genoeg om verdacht te zijn. Mensen met Surinaamse, Caribische, Marokkaanse, Turkse en Indonesische achtergronden kwamen in hetzelfde systeem terecht. De Staat erkende later institutioneel racisme. Ouders organiseerden zich en vochten terug. Maar wat nauwelijks ontstond, was een gezamenlijk front van de gemeenschappen die door datzelfde apparaat waren geraakt.

Eén machine. Meerdere gemeenschappen. Losse gevechten.

We zijn niet hetzelfde. Maar we lopen vaak tegen dezelfde muren op. De selectie bij de Belastingdienst, de afwijzing bij een sollicitatie, de controle op straat, de blik in de trein. De ingangen verschillen, maar het systeem is hetzelfde. We zien allemaal een andere interface, maar we draaien op hetzelfde besturingssysteem van macht.

Coalitievorming tussen minderheden klinkt nobel, maar de praktijk is weerbarstig. DENK en BIJ1 zagen deels dezelfde tegenstander, maar dachten fundamenteel anders over economie, geloof en over het bestaansrecht van mensen zoals ik. Het bewijst dat samen lijden onder hetzelfde systeem nog niet betekent dat je dezelfde droom deelt.

De integratieparadox verklaart waarom de pijn bij de tweede generatie zo diep snijdt: wie de taal van dit land vloeiend spreekt, hoort ook de subtielste afwijzing. We zien dondersgoed waar de deuren alsnog dichtgaan. Maar scherp zien waar het schuurt, leert ons nog niet hoe we elkaar moeten vasthouden. Het leidt maar al te vaak tot eigen gelijk in plaats van gezamenlijke slagkracht.

Helderheid zonder empathie voor elkaars verschillen eindigt simpelweg in nieuwe versplintering..

De meester woont in ons

Ik wil niet alleen naar buiten wijzen. Dat zou te makkelijk zijn, en het zou een leugen zijn.

In 2022 maakte het Rijksmuseum de tentoonstelling Revolusi! over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, samen met Indonesische curatoren. Een van hen, de historicus Bonnie Triyana, schreef dat het woord “bersiap” racistische lading heeft als je het gebruikt voor al het geweld tegen Nederlanders in die jaren. Daarop deed de Federatie Indische Nederlanders aangifte tegen hem. Twee groepen met hun wortels in dezelfde kolonie stonden tegenover elkaar bij de politie, terwijl het koloniale verhaal rustig in de vitrine bleef liggen.

Ik ken die mechaniek van binnenuit. Ik draag zowel de eigenaar als de bezitte in me. Ik heb gezien hoe huidskleur binnen onze eigen families gewogen werd. Ik ken de spanning tussen Creolen en Hindostanen, die we uit Suriname hebben meegenomen. Ik ken de afstand tussen Surinamers en Marokkanen, tussen moslims en christenen. En ik weet als homoseksuele man precies waar de breuklijnen binnen religieuze gemeenschappen lopen. Ik verliet de kerk op de dag dat ik het huis verliet. Het deel van religie dat mij uitsloot, liet ik achter. De spiritualiteit nam ik mee. Ik weet dus hoe het is als een gemeenschap je tegelijk draagt en buitensluit. En ik zie hoe vaak we binnen onze eigen kringen uitsluiten op wie iemand liefheeft, terwijl we ons samen verzetten tegen uitsluiting op afkomst.

En wat we in eigen kring als traditie verdedigen, is soms niet eens onze traditie. De antropologe Gloria Wekker beschreef in The Politics of Passion (2006) het mati-werk: een oude praktijk onder Afro-Surinaamse vrouwen uit de arbeidersklasse, die relaties hebben met zowel mannen als vrouwen, het huwelijk afwijzen en hun eigen families vormen van verwanten, geliefden en kinderen. Het is een Surinaamse traditie die ingaat tegen westerse en christelijke opvattingen over huwelijk en seksualiteit. Ze bestaat nog steeds, ook hier in Nederland. Wie in Surinaamse kring zegt dat liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht “niet bij ons hoort”, verdedigt dus soms de moraal van de missionaris tegen zijn eigen grootmoeders.

Hetzelfde geldt elders. Het Marokkaanse verbod op seks tussen mensen van hetzelfde geslacht draagt ook sporen van het Franse koloniale recht. En in de Ottomaanse en Arabisch-islamitische wereld werd de liefde van mannen voor jonge mannen eeuwenlang openlijk bezongen, lang voordat de moderne categorie “homoseksualiteit” bestond. Dat verleden kende eigen regels over leeftijd en rollen, en was niet hetzelfde als onze huidige ideeën over seksuele vrijheid. Maar het maakt één ding duidelijk: wie de hedendaagse afwijzing presenteert als een onveranderlijke eigen traditie, vertelt maar een deel van de geschiedenis.

En dan is er iets waarover we in onze eigen kringen liever zwijgen: colorisme. De voorkeur voor een lichtere huid, en het oordeel over wie “te donker” is. Het speelt bij Surinamers, Indische Nederlanders, Marokkanen en mensen van Indiase en Hindostaanse afkomst. In Suriname en onder zwarte Amerikanen was Ambi Fade Cream, met hydrochinon als werkzame stof, generaties lang een gewoon onderdeel van de verzorging. Ik gebruikte het zelf in mijn jonge jaren, als ik een fotoshoot had, om me een goudkleurige glow te geven. In Nederland zijn zulke bleekmiddelen al sinds 2001 verboden, omdat ze de huid blijvend kunnen beschadigen. Toch liggen ze nog steeds onder de toonbank, in toko’s en afrowinkels. En toen onderzoekers het gebruik ervan in kaart brachten, keken ze naar Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Indische, Antilliaanse, Ghanese en Somalische vrouwen tegelijk. Het is geen probleem van één groep. Het is een gedeelde wond. Dat komt niet uit de lucht vallen. In de koloniale samenleving bepaalde huidskleur je plaats, op de plantages van Suriname en in de rassenindeling van Nederlands-Indië: hoe lichter, hoe dichter bij de macht. Die rangorde is nooit afgeschaft. Ze is alleen naar binnen verhuisd.

Juist wij weten hoe uitsluiting voelt. En toch doen we het elkaar aan, dwars door gezinnen heen. Colorisme is verdeel-en-heers op zijn wreedst: het verdeelt niet alleen groepen op straat, maar broers en zussen onder hetzelfde dak. Zolang we elkaars verschillen blijven veroordelen, komen we nooit toe aan de herkenning van wat we delen. En zonder die herkenning kunnen we simpelweg niet werkelijk met elkaar leven.

Klasse. Religie. Opleiding. Nationaliteit. Gender. Seksualiteit. Wie denkt dat koloniale denkpatronen alleen aan één kant van de samenleving bestaan, maakt het zichzelf te gemakkelijk. De meester zit niet alleen buiten ons. Hij woont allang in ons taalgebruik, onze voorkeuren en onze blik op elkaar.

Misschien hebben we de oude techniek van verdeel en heers zo goed geleerd dat er niemand meer nodig is om ons te verdelen. We doen het zelf.

Het lukte eerder al

Het hoeft niet zo te zijn. Dat weten we, want het is eerder gebeurd.

In 1933 opende Anton de Kom een adviesbureau in de tuin van zijn familie in Paramaribo. Duizenden mensen kwamen hun klachten vertellen: nazaten van tot slaaf gemaakten, Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, inheemse mensen, Marronleiders. Toen de koloniale overheid hem oppakte, gingen honderden Javaanse arbeiders in zijn tuin zitten, uit passief verzet. Een jaar later schreef hij in ballingschap Wij slaven van Suriname. Dat “wij” was geen etnisch wij. Het omvatte iedereen die werd uitgebuit.

Na de oorlog probeerden Jopie Pengel en Jagernath Lachmon de Creoolse en Hindostaanse politiek te verbinden in de verbroederingspolitiek. Het was niet volmaakt, soms meer machtsdeling dan echte verbondenheid. Maar het hield een land jarenlang bij elkaar. In 1963 schreef een Creoolse Surinamer, onder het pseudoniem Ro. Eihcra, dat zijn land alleen kon bestaan als Surinamers “met elkaar” in plaats van “naast elkaar” leefden. Hij pleitte voor een plan voor massa-educatie. Ruim zestig jaar later onderschrijf ik elk woord.

Kijk verder dan het Koninkrijk. In 1955 kwamen in Bandung, op Java, landen uit Azië en Afrika bij elkaar die net vrij waren of nog vochten. Ze hadden verschillende talen, godsdiensten en belangen. Wat ze deelden, was de ervaring van koloniale overheersing. Dat bleek genoeg om samen een stem te vinden. In Zuid-Afrika gebruikte Steve Biko het woord “zwart” niet als huidskleur, maar als politieke keuze. Het omvatte iedereen die door de apartheid werd onderdrukt, ook Indiërs en wie als “coloured” werd ingedeeld.

En onze eigen tradities kennen woorden voor wat ik bedoel. Op Java heet het gotong royong: samen de last dragen, omdat het gemeenschappelijke werk zwaarder weegt dan het eigen gewin. In zuidelijk Afrika heet het Ubuntu: ik ben, omdat wij zijn. We hoeven solidariteit niet uit westerse handboeken te halen. We dragen haar al mee.

Wat ons bindt, en wat niet

Hier moet ik precies zijn. Niet al onze geschiedenissen lopen via de Nederlandse koloniën. Turkse en Marokkaanse Nederlanders kwamen hierheen via wervingsakkoorden, in 1964 en 1969, om in fabrieken te werken. Marokko werd door Frankrijk en Spanje gekoloniseerd, niet door Nederland. Wie hen in een Nederlands dekolonisatieverhaal wil persen, forceert iets. Die geschiedenissen mag je niet op één hoop gooien.

Ik vraag niet dat we allemaal hetzelfde worden. De Surinamer hoeft geen Marokkaan te worden. De Turk hoeft geen Afrikaan te worden. De Indo hoeft zijn eigen geschiedenis niet in te leveren. Een coalitie is iets anders dan assimilatie. Je hoeft niet hetzelfde verhaal te hebben om dezelfde vraag te kunnen stellen.

En deze coalitie is niet gericht tegen witte Nederlanders. Dan zouden we alleen de namen van de kampen veranderen. Ik wil juist weg van het kampendenken.

Herstel begint bij kennis

In 2021 stelde het rapport Ketenen van het verleden iets vast wat me nauwelijks verbaasde, maar wel diep raakte: de kennis over ons koloniale verleden en de slavernij schiet schromelijk tekort — in Nederland als geheel, maar pijnlijk genoeg ook onder de nazaten zelf. We kennen ons eigen verhaal niet. En wie de wortels van zijn eigen geschiedenis niet kent, loopt geblinddoekt door het heden en blijft dezelfde valkuilen opzoeken. De geschiedenis herhaalt zich immers niet uit domheid; ze herhaalt zich omdat we niet doorhebben dat wat nieuw klinkt, vaak stokoud is.

Daarom geloof ik dat educatie het hart van dekolonisatie moet zijn. Niet in plaats van herstel, maar als begin ervan. Mensen die generaties lang zijn uitgebuit, mogen vragen wat erkenning materieel betekent. Maar geld zonder kennis is een merkwaardig soort herstel. Je kunt een bedrag uitkeren en twintig jaar later nog steeds een generatie kinderen hebben die nauwelijks weet hoe Nederland werd wat het is. Dan heb je een rekening vereffend, maar geen samenleving veranderd.

De Caribische landen begrepen dit al veel eerder. Het tienpuntenplan van CARICOM eist niet alleen formele erkenning, maar investeert doelbewust in culturele instellingen, alfabetisering, kennis over Afrikaanse wortels en psychologische heling. Hun visie op herstel is in de kern een educatieproject: wie zijn geest bevrijdt, verbreekt de ketenen pas echt. Dát is de beweging waar ik naast wil staan.

Maar we moeten eerlijk zijn over de valkuil. In juli sprak premier Jetten in het Oosterpark vol lof over Curaçaose jongeren: voor hen was het verleden geen verhaal van slachtofferschap meer, maar van trots en verzet. Drie maanden later volgde de nuchtere boodschap dat het onderzoek naar de koloniale rol van het Huis van Oranje niet tot herstelbetalingen zal leiden — er loopt immers al een programma.

Dáár zit de truc. Het narratief van ‘trots en weerbaarheid’ wordt zo heel handig ingezet om de rekening niet te hoeven betalen. Wie oproept om niet in de pijn te blijven hangen, moet er in dezelfde adem bij zeggen: de plicht tot herstel blijft gewoon staan. Schuld kijkt misschien achteruit, maar verantwoordelijkheid kijkt vooruit — en die verantwoordelijkheid verdampt niet met een paar mooie woorden over veerkracht.

Hoe zou ons onderwijs eruitzien?

Niet als een lesje slavernij in één week. Niet als een themadag. En ook niet als een beschuldigende geschiedenis waarin het ene kind zich slachtoffer moet voelen en het andere dader. Dat is intellectueel lui.

Een kind zou moeten begrijpen dat de Nederlandse geschiedenis tegelijk in Amsterdam, Paramaribo, Jakarta, Willemstad en Rotterdam werd geschreven. Dat de VOC en de WIC Nederlandse geschiedenis zijn. Dat slavernij Nederlandse geschiedenis is. Dat de Indonesische onafhankelijkheid, de komst van de Molukkers, de Surinaamse onafhankelijkheid en de Turkse en Marokkaanse arbeidsmigratie Nederlandse geschiedenis zijn. En dat de mensen die hierheen kwamen niet simpelweg aan Nederland werden toegevoegd. Zij veranderden Nederland.

Concreet:

  • lesprogramma’s waarin een Marokkaans-Nederlands kind leert over Tula en De Kom, en een Surinaams-Nederlands kind over de arbeiders uit de Rif en Anatolië in de fabrieken van Twente en Rotterdam;
  • leraren uit al onze gemeenschappen die elkaars geschiedenis onderwijzen, niet alleen de eigen;
  • geld dat bruggen bouwt tussen gemeenschappen, in plaats van dat iedere groep apart zijn eigen herdenking financiert;
  • één gezamenlijke agenda tegen institutioneel racisme, zodat de volgende toeslagenaffaire niet op vijf losse gemeenschappen stuit, maar op één front.

Dit onderwijs is niet alleen voor ons. Het kind zonder migratieachtergrond heeft evenveel recht op de volledige Nederlandse geschiedenis. Misschien heeft het er zelfs meer behoefte aan, want ook dat kind loopt anders door een land waarvan het maar een deel begrijpt. Historisch onderwijs is geen cultureel luxeproduct. Het is democratische infrastructuur. En misschien moeten juist de gemeenschappen die weten wat het is als je geschiedenis wordt weggelaten of door anderen verteld, hier de leiding nemen. Niet alleen eisen dat Nederland ons ziet, maar Nederland helpen zichzelf te zien.

Het schilderij en de pijn

We vertellen het koloniale verleden vaak alleen als kommer en kwel. Dat is begrijpelijk, want de pijn is echt. Maar als dat het enige verhaal is, geven we de kolonisator het laatste woord. Dan zijn Afrikanen alleen slachtoffers van slavernij, Indonesiërs alleen gekoloniseerden, Surinamers alleen nazaten, Marokkanen en Turken alleen gastarbeiders. Dat klopt historisch niet, en menselijk nog minder.

Wat je is aangedaan, is een historisch feit. Maar maak er geen tehuis van. Wie van zijn leed een identiteit bouwt, nodigt zijn oude onderdrukker uit om permanent in zijn hoofd te blijven wonen — en geeft hem gratis de sleutel.

De Martinikaanse filosoof Édouard Glissant zag het anders. Voor hem was de Caribische cultuur geen restant van geweld, maar een eigen schepping die uit een complexe geschiedenis groeide. Hij onderscheidde een identiteit uit één wortel van een identiteit die ontstaat in relatie, in de ontmoeting.

Kijk wat er is gemaakt. Niet dankzij plantages, forten en koloniën, maar ondanks de ketenen waarin mensen werden geworpen. Het Sranantongo ontstond op de plantages als taal tussen mensen die elkaars taal niet spraken, en werd de taal waarin heel Suriname elkaar verstaat. Het Papiamentu, lang weggezet als taal van onderdanen, werd een officiële landstaal. Het Petjoh, waar de koloniale elite in Batavia op neerkeek, werd een eigen stem tussen het Hollands en het Maleis. Luister naar krontjong, kaseko en indorock. Proef het in één lepel saoto, waarin Java en Suriname samenkomen.

En kijk naar Nederland. Naast de Turkse bakker en het Marokkaanse theehuis staat de Surinaamse rotiwinkel. Op de pleinen van de grote steden spreekt de jeugd een straattaal waarin Paramaribo, Willemstad, Rabat en Ankara elkaar ontmoeten, zonder ooit op toestemming van de taalleraar te hebben gewacht.

Men wilde werelden scheiden. Mensen maakten van de scherven een mozaïek. Het koloniale systeem deelde op en sloot buiten; wat eruit voortkwam, verbindt.

Dat is ook geschiedenis. Niet de geschiedenis van slachtoffers, maar van makers.

Een mooi schilderij dat voortkomt uit pijn is nog steeds een mooi schilderij, ook al was de situatie waaruit het voortkwam dat niet. Dat betekent niet dat de pijn goed was. Het betekent dat de mens meer is dan zijn pijn.

Denk aan Billie Holiday toen ze Strange Fruit zong. De lynchpartijen en de rauwe terreur waarover ze zingt, waren puur kwaad — daar viel niets aan te verzachten of goed te praten. En toch schiep ze een van de meest beklijvende, breekbare meesterwerken uit de muziekgeschiedenis. Het lied poetst de gruwel niet weg; het bewijst simpelweg dat menselijke waardigheid niet ophoudt waar de wreedheid begint. Het laat zien dat ook dit voorbijgaat: zelfs de diepste duisternis kan worden omgevormd tot iets van blijvende betekenis. Alles verandert uiteindelijk in iets anders.

Waar we kunnen beginnen

Ik eindig niet met een grootse oproep. Die zijn er genoeg geweest. Ik eindig met iets wat klein genoeg is om morgen te beginnen.

Doe wat Anton de Kom in 1933 in zijn tuin deed: luister naar iedereen tegelijk. Laat jongeren uit Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Indische, Molukse, Afrikaanse en Caribische gemeenschappen samen hun ouders en grootouders interviewen. Twee vragen. Wat werd jullie verteld over wie jullie waren, toen jullie in dit land aankwamen? En wat hebben jullie daar zelf van gemaakt? Laat ze de verhalen verzamelen, naast elkaar leggen en delen.

Ik weet wat mij werd verteld, toen ik in 1966 als achtjarige in Rotterdam aankwam. Mijn ouders zeiden het tegen ons: doe je best op school, haal je diploma, en ga daarna terug om wat je hier hebt geleerd in Suriname toe te passen. Ze zagen kansen in Nederland, maar het thuisland bleef Suriname, en dat land had ons nodig. Ik vermoed dat de anderen iets anders hebben gehoord, en toch hetzelfde. De Surinamer kwam met een Nederlands paspoort en werd toch behandeld als vreemdeling. De Molukker werd in een kamp gezet, in afwachting van een terugkeer die nooit kwam. De gastarbeider droeg het woord “tijdelijk” al in zijn naam, en veel gezinnen geloofden zelf ook dat ze ooit terug zouden gaan. De Indische Nederlander leerde zwijgen en niet opvallen. Wat ons van buiten werd verteld en wat we onszelf vertelden, kwam op hetzelfde neer: hier ben je niet echt thuis. En allemaal kregen ze te horen dat hun kinderen het beter zouden krijgen, als ze maar hard genoeg hun best deden.

De verhalen zijn anders. De structuur is dezelfde.

Dat is geen Turks verhaal, geen Marokkaans en geen Surinaams verhaal. Het is het Nederlandse verhaal van iedereen die van buiten kwam. En zodra we dat zien — niet als slogan, maar als gedeelde ervaring — verliest verdeel-en-heers zijn macht. Niet omdat het mechanisme vanzelf verdwijnt, maar omdat we het hebben doorzien. En wat eenmaal gezien is, laat zich niet zomaar weer onzichtbaar maken.

Maar de geschiedenis waarschuwt ons ook: we zijn hardleers. Het geheugen is kort en oude reflexen keren hardnekkig terug. Dit inzicht bewaren vraagt dan ook om blijvende waakzaamheid; we moeten het actief blijven benoemen, generatie na generatie.

Onze geschiedenissen hoeven niet hetzelfde te zijn. Onze pijn hoeft niet hetzelfde te zijn. Maar onze toekomst vindt plaats in hetzelfde land.

De moskee en de synagoge in de Keizerstraat staan al meer dan een eeuw naast elkaar. Dat is mooi. Maar het is niet genoeg.

De koloniale heersers zijn allang verdwenen.Het zou een pijnlijke farce zijn als wij vandaag hun verdeel-en-heersstrategie gratis voortzetten. Herhalen we blind hun draaiboek, of weigeren we elkaars tegenstander te blijven?

Met elkaar. Niet naast elkaar.

Bronnen


• CBS, bevolking naar herkomst, 2026
• J.S. Furnivall, Colonial Policy and Practice (1948)
• R.A.J. van Lier, Samenleving in een grensgebied. Een sociaal-historische studie van de maatschappij in Suriname (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1949)
• Anton de Kom, Wij slaven van Suriname (1934)
• Ro. Eihcra (pseudoniem), "Hinderpaal op de weg naar Suriname's onafhankelijkheid" (1963), via DBNL
• Rinus Penninx en Marlou Schrover, Bastion of bindmiddel? De organisatie van migranten in historisch perspectief (Amsterdam: IMES, 2001)
• NOS, "Meeste toeslagenouders hebben migratieachtergrond, vaak met schulden", 28 juni 2022
• Rijksmuseum, tentoonstelling Revolusi! (2022)
• Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden, Ketenen van het verleden (2021)
• CARICOM Reparations Commission, Ten Point Plan for Reparatory Justice (2014)
• Rob Jetten, toespraak Nationale Herdenking Slavernijverleden, 1 juli 2026, en persconferentie, 2 oktober 2026
• Gloria Wekker, The Politics of Passion (2006)
• Khaled El-Rouayheb, Before Homosexuality in the Arab-Islamic World, 1500-1800 (2005)
• Outright International, "Colonial Homophobia: France's Unexplored Legacy"
• M. Lamkaddem e.a., onderzoek naar het gebruik van huidbleekmiddelen onder migrantenvrouwen in Nederland, NIVEL (2002)
• NVWA, controles op verboden huidbleekmiddelen (2022)
• Édouard Glissant, Poétique de la Relation (Parijs: Gallimard, 1990)

I